dinsdag 16 september 2014

De Jongens van Bus 13


Ze praten niet. Noch tegen mekaar, noch tegen zichzelf. Hun blikken zijn bedompt, het haar sluik. Ze zijn niet voornaam noch slordig gekleed. Heel gewoon. Amper veertien, veel te snel opgeschoten. De broers gedogen mekaar, ze zijn niet chagrijnig noch vrolijk voor elkaar, ze zijn gewoon toevallig geboren in hetzelfde nest.
Ze stappen uit bus 13 aan de troosteloze blokken van Faubourg Jette. Hier is de stad en het buitenleven ver weg, al wordt het verkocht als het beste van die twee werelden.
Ze stappen achter mekaar, de jongste wellicht een jaar jonger, daarachter zijn broer.
Ze gaan traag en gelaten, thuis wacht er enkel  leegte. Een vader die ze maar amper kenden, een te klein hok voor twee jongens die te snel groeien, een moeder aan de pillen. Ze zorgen zelf voor, wat heet, het avondmaal.
Op school worden ze geduld. Soms als er een slachtoffer ontbreekt of als de Macho zich wil laten gelden worden ze eruit gepikt, de zwakste schakels. Maar niet continu. Ze ondergaan het onderworpen, nooit een glimlach maar evenmin, gehard, nooit een traan. Alsof alles is vergrendeld. Daarom is pesten onbetekenend. Het ketst af.
Zo gaan ze lijdzaam naar de blokken, de wind heeft vrij spel tussen de hoge spleten.

De dralende jongens van bus 13.

Geen opmerkingen :

Een reactie posten