Aan de rand van Anderlecht vraag ik aan de cafébaas met hoeveel de Sporting gisterenavond AA Gent heeft opzij gezet. Ik ben namelijk wat van de wereld weggeweest, ik weet dat ze overtuigend wonnen maar niet met welk verschil.
"Je ne sais pas monsieur, je suis supporter de Barcelone," antwoordt de Catalaanse uitbater.
Nou breekt mijn klomp : een voetbalminnende cafébaas in Anderlecht wéét niet dat de club gisteren speelde, laat staan dat ze wonnen, maar kent wél het koosnaampje van de señora die de truitjes wast in Barcelona.
De integratie in voetbalmiddens zal nooit lukken.
Echte Catalanen zullen tot hun laatste snik trouw zeren aan de vlag en de kleuren van hun grote Barça - dat er wat verder een provinciaal clubje wat tegen een balletje trapt voor een handvol supporters, het zal hen worst wezen.
Als Anderlecht straks ongetwijfeld kampioen speelt en de gemeente ontploft zal deze cafébaas tot zijn verbazing opmerken dat carnaval dit jaar na Pasen wordt gevierd in Brussel.
donderdag 1 april 2010
dinsdag 30 maart 2010
De Clochard en de Akeela
Om 8u35 komt een man het café Live Music binnengestrompeld en verdwijnt onmiddellijk door de toiletdeur. De cafébaas ziet een schim passeren, kijkt even verbaasd, maar concentreert zich dan op mij.
Wat later komt de man buiten, een jongeman, gescheurde jeans en leren jekker - zijn gezicht helemaal onder het bloed. Hij heeft de handdoek meegegraaid, men ziet de afdruk van zijn bebloed gelaat in de linnen doek : 'La geuele de Jésus Christ à Bruxelles.' Het is eens wat anders dan de Blijde Intrede.
Hij kijkt wat vertwijfeld naar de cafébaas. Een man met ervaring.
"Pas de souci," zegt hij zacht, "vous pouvez gardez l'essuie-main."
Maar hij voegt er onmiddellijk aan toe : "Mais vous ne pouvez pas rester, ça fait peur aux clients."
Hij geeft hem nog een glas water, daarachter moet hij opkrassen, hij berust dankbaar.
De waard weet van wanten.
De man geruststellen, hem een beetje soigneren, evenwel geen bed offreren en nadien vriendelijk vragen weg te gaan.
Geen lawijt of geen opstootje. Kalm, beredeneerd maar gedecideerd.
Er zijn cafébazen en cafébazen.
Die zonder ervaring had hier onmiddellijk een zaak van gemaakt, geen fluit mensenkennis, denkt direct aan eventuele schade en panikeert als een bange wezel waardoor hij onnodig brokken maakt.
Een andere onervaren waard met een hart van koekebrood had de man een koffie geserveerd en een wasteil aangeboden. Morgen zit zijn café vol met bebloede clochards.
Ik zie de man, al wat opgelapt, verder stappen richting Brouckère.
Op de trappen van de Beurs staat een frisse groep scoutsmeisjes, ze zingen vrolijke liedjes, genre 'Makara', 'Er is ham in de tent' of 'Pak al je zorgen.'
Als hij passeert stapt één van de leidsters resoluut naar de man.
Een beetje akeela met wat ballen aan haar lijf kan dit niet laten passeren.
Zoals algemeen geweten moeten scouts alle dagen minstens één goede daad stellen, met deze man is de klus meteen geklaard. Wellicht draagt ze wel de Totem 'De Witte Engel'.
Ze bet het bloed en ontsmet zijn wonde, nu wordt het helemaal Jezus Christus in Brussel.
Het lied stokt en sterft dan in stilte.
De kinderen kijken vol bewondering naar hun leidster.
Minstens twintig jonge welpen zullen straks haar voorbeeld volgen.
Er is nog hoop voor de havelozen van deze stad.
Wat later komt de man buiten, een jongeman, gescheurde jeans en leren jekker - zijn gezicht helemaal onder het bloed. Hij heeft de handdoek meegegraaid, men ziet de afdruk van zijn bebloed gelaat in de linnen doek : 'La geuele de Jésus Christ à Bruxelles.' Het is eens wat anders dan de Blijde Intrede.
Hij kijkt wat vertwijfeld naar de cafébaas. Een man met ervaring.
"Pas de souci," zegt hij zacht, "vous pouvez gardez l'essuie-main."
Maar hij voegt er onmiddellijk aan toe : "Mais vous ne pouvez pas rester, ça fait peur aux clients."
Hij geeft hem nog een glas water, daarachter moet hij opkrassen, hij berust dankbaar.
De waard weet van wanten.
De man geruststellen, hem een beetje soigneren, evenwel geen bed offreren en nadien vriendelijk vragen weg te gaan.
Geen lawijt of geen opstootje. Kalm, beredeneerd maar gedecideerd.
Er zijn cafébazen en cafébazen.
Die zonder ervaring had hier onmiddellijk een zaak van gemaakt, geen fluit mensenkennis, denkt direct aan eventuele schade en panikeert als een bange wezel waardoor hij onnodig brokken maakt.
Een andere onervaren waard met een hart van koekebrood had de man een koffie geserveerd en een wasteil aangeboden. Morgen zit zijn café vol met bebloede clochards.
Ik zie de man, al wat opgelapt, verder stappen richting Brouckère.
Op de trappen van de Beurs staat een frisse groep scoutsmeisjes, ze zingen vrolijke liedjes, genre 'Makara', 'Er is ham in de tent' of 'Pak al je zorgen.'
Als hij passeert stapt één van de leidsters resoluut naar de man.
Een beetje akeela met wat ballen aan haar lijf kan dit niet laten passeren.
Zoals algemeen geweten moeten scouts alle dagen minstens één goede daad stellen, met deze man is de klus meteen geklaard. Wellicht draagt ze wel de Totem 'De Witte Engel'.
Ze bet het bloed en ontsmet zijn wonde, nu wordt het helemaal Jezus Christus in Brussel.
Het lied stokt en sterft dan in stilte.
De kinderen kijken vol bewondering naar hun leidster.
Minstens twintig jonge welpen zullen straks haar voorbeeld volgen.
Er is nog hoop voor de havelozen van deze stad.
zondag 28 maart 2010
Stadsbrief
Beste Bruksel,
Ik sta helemaal stil in het midden van de Kartuizersstraat.
Vóór mij staat een grijze mercedes, aan de kant van de chauffeur slaat een jongeman doodleuk een praatje met de jongelui in de wagen.
Het gaat er gemoedelijk aan toe, er wordt hartelijk gelachen, vantijd leunt de jongen buiten de wagen diep in het voertuig om één van zijn kompanen een vriendelijke dreun te verkopen.
Opeens krijgt hij telefoon, hij leunt op zijn dooie gemak tegen de zijflank van de mercedes, de passagiers wachten geduldig.
Achter mij staan drie wagens, ik heb al tweemaal geknipperd, de man achter mij toetert luid.
De beller steekt zijn middenvinger op. Les Barons du rue des Chartreux.
Hetzelfde overkwam mij verleden week op de Papenvest, de jonge chauffeur ziet een maat, alle remmen dicht en een vrolijke babbel, de rest van de wereld kan de pot op.
Op de Waterloose in Sint-Gillis stopt plots de chauffeur van bus 48, richting Beurs.
Hij kruist zijn maat van dezelfde bus, riching Ukkel.
De twee laten hun raampje naar beneden en beginnen te keuvelen.
Langs beide zijden staat rijen auto's aan te schuiven, van de Barrière tot aan de Parvis.
Dat is, wat men noemt, de zachte anarchie van Brussel.
Uw gerechtsdienaars kunnen niet overal tegelijk zijn, ik weet het, maar geef toe dat ze vaak niet thuis geven als het er toe doet en ze te makkelijk hun ogen sluiten voor dit soort ongemakken, die het samenleven danig verzuren.
Je, Pacha Kroet.
Ik sta helemaal stil in het midden van de Kartuizersstraat.
Vóór mij staat een grijze mercedes, aan de kant van de chauffeur slaat een jongeman doodleuk een praatje met de jongelui in de wagen.
Het gaat er gemoedelijk aan toe, er wordt hartelijk gelachen, vantijd leunt de jongen buiten de wagen diep in het voertuig om één van zijn kompanen een vriendelijke dreun te verkopen.
Opeens krijgt hij telefoon, hij leunt op zijn dooie gemak tegen de zijflank van de mercedes, de passagiers wachten geduldig.
Achter mij staan drie wagens, ik heb al tweemaal geknipperd, de man achter mij toetert luid.
De beller steekt zijn middenvinger op. Les Barons du rue des Chartreux.
Hetzelfde overkwam mij verleden week op de Papenvest, de jonge chauffeur ziet een maat, alle remmen dicht en een vrolijke babbel, de rest van de wereld kan de pot op.
Op de Waterloose in Sint-Gillis stopt plots de chauffeur van bus 48, richting Beurs.
Hij kruist zijn maat van dezelfde bus, riching Ukkel.
De twee laten hun raampje naar beneden en beginnen te keuvelen.
Langs beide zijden staat rijen auto's aan te schuiven, van de Barrière tot aan de Parvis.
Dat is, wat men noemt, de zachte anarchie van Brussel.
Uw gerechtsdienaars kunnen niet overal tegelijk zijn, ik weet het, maar geef toe dat ze vaak niet thuis geven als het er toe doet en ze te makkelijk hun ogen sluiten voor dit soort ongemakken, die het samenleven danig verzuren.
Je, Pacha Kroet.
zaterdag 27 maart 2010
Neu Sprotsjes
Nieuwe begrippen ter verrijking van de brusselse taal
Piszinneke
Brussels openbaar toilet voor de mannen, een pissijn, die men aantreft op sommige grote pleinen in de stad, Anneessens, Fontainas e.a. - "Ge stoêt op aa gemak in de neu piszinnekes."
Eén van de oudste piszinnekes bevindt zich opzij van de St-Kathelijnekerk.
Deze laatste verdient evenwel geen aanbeveling. Na gebruik is douchen alsook het wassen van de kledij onontbeerlijk.
Bagabelleke
Brussels SMS-berichtje. "Ik em maain copinne en bagabelleke gesteurd."
Piszinneke
Brussels openbaar toilet voor de mannen, een pissijn, die men aantreft op sommige grote pleinen in de stad, Anneessens, Fontainas e.a. - "Ge stoêt op aa gemak in de neu piszinnekes."
Eén van de oudste piszinnekes bevindt zich opzij van de St-Kathelijnekerk.
Deze laatste verdient evenwel geen aanbeveling. Na gebruik is douchen alsook het wassen van de kledij onontbeerlijk.
Bagabelleke
Brussels SMS-berichtje. "Ik em maain copinne en bagabelleke gesteurd."
vrijdag 26 maart 2010
Gespot
Zes Chinezen staan wat afzijdig van hun groep ter hoogte van Café Anspach.
De gids doet hard zijn best om het verschijnsel van de Nord naar de Midi uit de doeken te doen aan de Aziaten die meer miljoenensteden hebben in hun land dan er café-voetbalploegen zijn in gans België. Geen wonder dat ze wat afdwalen.
De zes hebben zich afgescheiden van de groep - als een dissidente Groep van Zes - ze luisteren allang niet meer maar zijn geobsedeerd door een banale stelling vóor het café.
De dikste van de groep, in zijn vrije tijd ongetwijfeld een volbloed worstelaar, wijst naar de manier waarop de stelling is vastgemaakt aan de muur, de vijf anderen brommen heel hard, wat ik als instemmend beschouw.
Daarop bekijken ze het vlechtwerk - éentje neemt een foto, vooraan, opzij.
Opvallend is dat geen enkele Chinees poseert, ze zijn alleen in hoge mate gefascineerd door de stelling aan Brasserie Anspach.
Er ligt een terrein braak, ter grootte van een continent, voor Echafaudages Kaefer.
Als ik hen was zou ik snel dat stellingske op de Anspach opdoeken en terstond verkassen naar China.
Ik zou al op zoek gaan hoe Kaefer of een variante erop bekt in het Chinees.
The sky is the limit.
De gids doet hard zijn best om het verschijnsel van de Nord naar de Midi uit de doeken te doen aan de Aziaten die meer miljoenensteden hebben in hun land dan er café-voetbalploegen zijn in gans België. Geen wonder dat ze wat afdwalen.
De zes hebben zich afgescheiden van de groep - als een dissidente Groep van Zes - ze luisteren allang niet meer maar zijn geobsedeerd door een banale stelling vóor het café.
De dikste van de groep, in zijn vrije tijd ongetwijfeld een volbloed worstelaar, wijst naar de manier waarop de stelling is vastgemaakt aan de muur, de vijf anderen brommen heel hard, wat ik als instemmend beschouw.
Daarop bekijken ze het vlechtwerk - éentje neemt een foto, vooraan, opzij.
Opvallend is dat geen enkele Chinees poseert, ze zijn alleen in hoge mate gefascineerd door de stelling aan Brasserie Anspach.
Er ligt een terrein braak, ter grootte van een continent, voor Echafaudages Kaefer.
Als ik hen was zou ik snel dat stellingske op de Anspach opdoeken en terstond verkassen naar China.
Ik zou al op zoek gaan hoe Kaefer of een variante erop bekt in het Chinees.
The sky is the limit.
woensdag 24 maart 2010
De Stille Zwarte
Vier vrouwen zitten in café Albert I aan het Rouppeplein.
Het zijn dames die, qua uiterlijk, hun beste tijd hebben gehad, maar nog even de schijn ophouden. Het is laat middag, maar bij hen is het uur tussen hond en wolf al ingetreden.
Drie blondines, die eigenlijk diepgrijs zijn en dus flink in de weer zijn met verf, wat overigens niet helemaal is gelukt.Er is één vrouw die een strooien kapsel heeft, opzij hangt een lok ietwat losjes, wat een zekere verleiding zou moeten suggereren, de andere heeft te lang in de krullenboetiek gezeten, de derde blondine heeft kort haar.
Alhoewel ze allevier even oud zijn, oogt zij het jongst omdat ze haar leeftijd niet maskeert.Ze zijn allevier in het zwart wat hun brede heupen ietwat versmalt.
De vierde is zwartharig. Het is opvallend dat zij wat afwezig niet deelneemt aan het gesprek.
Zij kijkt voor zich uit, ze rookt onafgebroken en nerveus.De drie blondines tetteren honderduit. Het gaat over de nieuwe lentekleuren en waar ze shoppen, voornamelijk in de Inno en op de Toison d'Or. Ze lachen met les gens ordinaires die de overschotten kopen bij Dod op de Chaussée de Louvain.Soms springen ze naar RTL en becommentariëren soaps die mij volstrekt onbekend zijn.Het duurt een beetje voor ik door heb dat het fictie betreft, het lijkt wel of ze het hebben over hun buurman of schoonbroer.De twee gekrulden dragen veel zilverwerk, het is inderdaad niet al goud wat blinkt, laat staan zilver.
Bij de enige stilte die valt zegt de zwarte plots : "J'ai eu mon préavis. Je ne peux même plus rentrer."
De blonde met de korte coupe is de enige die reageert. Ze vraagt kort hoe het komt.
Klassieke antwoord : reorganisatie, de laatste in de rij is de eerste die gaat.
De blonde met de lok zegt alleen nog : "Tu trouveras bien autre chose."Daarmee moet ze het doen.
Meteen daarop beginnen ze opnieuw te kwetteren.De zwarte steekt opnieuw een sigaret op.
De middagshift zit erop. Ze kussen vluchtig."A demain," - "Bon courage," zegt de kortharige blonde.
De blondines hadden geld over gehad om te mogen blijven.De zwarte had zwaar bijgelegd om te mogen opstappen.Het verschil tussen moeten, mogen, willen en kunnen.De blondines gaan naar buiten, de zwarte blijft zitten.Voor haar begint een lange lusteloze namiddag waarin niets meer hoeft.
Het zijn dames die, qua uiterlijk, hun beste tijd hebben gehad, maar nog even de schijn ophouden. Het is laat middag, maar bij hen is het uur tussen hond en wolf al ingetreden.
Drie blondines, die eigenlijk diepgrijs zijn en dus flink in de weer zijn met verf, wat overigens niet helemaal is gelukt.Er is één vrouw die een strooien kapsel heeft, opzij hangt een lok ietwat losjes, wat een zekere verleiding zou moeten suggereren, de andere heeft te lang in de krullenboetiek gezeten, de derde blondine heeft kort haar.
Alhoewel ze allevier even oud zijn, oogt zij het jongst omdat ze haar leeftijd niet maskeert.Ze zijn allevier in het zwart wat hun brede heupen ietwat versmalt.
De vierde is zwartharig. Het is opvallend dat zij wat afwezig niet deelneemt aan het gesprek.
Zij kijkt voor zich uit, ze rookt onafgebroken en nerveus.De drie blondines tetteren honderduit. Het gaat over de nieuwe lentekleuren en waar ze shoppen, voornamelijk in de Inno en op de Toison d'Or. Ze lachen met les gens ordinaires die de overschotten kopen bij Dod op de Chaussée de Louvain.Soms springen ze naar RTL en becommentariëren soaps die mij volstrekt onbekend zijn.Het duurt een beetje voor ik door heb dat het fictie betreft, het lijkt wel of ze het hebben over hun buurman of schoonbroer.De twee gekrulden dragen veel zilverwerk, het is inderdaad niet al goud wat blinkt, laat staan zilver.
Bij de enige stilte die valt zegt de zwarte plots : "J'ai eu mon préavis. Je ne peux même plus rentrer."
De blonde met de korte coupe is de enige die reageert. Ze vraagt kort hoe het komt.
Klassieke antwoord : reorganisatie, de laatste in de rij is de eerste die gaat.
De blonde met de lok zegt alleen nog : "Tu trouveras bien autre chose."Daarmee moet ze het doen.
Meteen daarop beginnen ze opnieuw te kwetteren.De zwarte steekt opnieuw een sigaret op.
De middagshift zit erop. Ze kussen vluchtig."A demain," - "Bon courage," zegt de kortharige blonde.
De blondines hadden geld over gehad om te mogen blijven.De zwarte had zwaar bijgelegd om te mogen opstappen.Het verschil tussen moeten, mogen, willen en kunnen.De blondines gaan naar buiten, de zwarte blijft zitten.Voor haar begint een lange lusteloze namiddag waarin niets meer hoeft.
Abonneren op:
Posts
(
Atom
)