donderdag 15 juli 2010

Stadsbrief

Beste Bruksel,
Vlak vóór het naar beneden gaan aan de Beurs valt mijn oog op een affiche die ik helemaal onderschrijf.
'Bruxelles-Bruxelles en voiture, c'était ridicule." Men moet gek zijn om in Brussel de wagen te nemen.

Vijf minuten later wil ik opstappen op Tram Drie, mensen staan op mekaar geplakt tot in de middengang en tussen de zetels. Ik laat hem passeren, al snel komt een tweede, die ik ook aan mij laat voorbijgaan.
De derde is van hetzelfde allooi, maar een mens kan of mag niet overnachten in Metro of Pré-metrostations, dus duw en wring ik mij een weg naar binnen.
Terwijl ik onderweg probeer te asemen, ondertussen mijn neus dichtknijp om niet de vreselijke lookwalmen van een medepassagier op te snuiven, denk ik aan de affiche buiten.

De meeste auto's in Brussel rijden leeg, maar staan stil.
Wij, dat moet gezegd, zijn in beweging maar zitten proppensvol.
Iemand moet iemand helpen.

Ik weet natuurlijk wel hoe.
U ook, maar de Stib is potdoof, die willen zelfs nog bezuinigen.
Wat verder passeer ik de reeds lang gepasseerde affiche van de expo : We are the Stib.
Allemaal gelukkige en tevreden mensen.
Natuurlijk : zij werken bij de Stib, dat is iets helemaal anders dat u verplaatsen met de Stib.

Je, Pacha Kroet.

zondag 11 juli 2010

L'odeur

Op het bloedhete terras van La Rustique in St-Gillis wordt ik geflankeerd door een roodharige dame op haar retour.
Ze trekt hoog haar wenkbrauwen op, op twee meter van haar met een tafeltje ertussen zit een langharige schooier zwaar te hijsen.
Ik vermoed dat ze last heeft van de blakende zon en nodig haar uit om bij mij te komen zitten onder de parasol.
“Ce n’est pas ça, “ fluistert ze, “J’adore le soleil, d’ailleurs ma copinne est à Tenerife et je veux aussi être bronzé quand elle revienne.. tu ne sens pas ce type ? »
Ze trekt nogmaals haar wenkbrauwen op en wijst ondertussen naar de veel te zwaar geklede man.
Hij ziet er inderdaad zeer onverzorgd uit, maar ik kan met de beste wil van de wereld geen onwelriekende geur onderscheiden.
“Is er iets met uw reukorgaan ?”, vraagt ze.
“Vous me coupez l’odeur avec votre parfum,” zeg ik tegen haar.
Daarop valt het gesprek stil want ze denkt verkeerdelijk dat zij ook stinkt.
Dat is een beetje waar, want haar parfum ligt me niet en ligt er ook veel te dik op, maar het was niet zo bedoeld.
Ik zou nooit tegen iemand zeggen dat hij, laat staan zij, stinkt.

Om even Carmiggelt te parafraseren : er is niks ergers dan tegen iemand zeggen dat hij geen gevoel voor humor heeft. Tweede in de rangorde is het verwijt dat men stinkt. Nooit doen.
Het was goed bedoeld, maar blijkbaar heb ik na al die jaren nog altijd geen verstand van vrouwen. Uw parfum coupeert de stank, dat is wat ik letterlijk tegen haar zei, is daar iets verkeerds mee ?

Ik moet meteen aan thuis denken, wij hielden varkens, en als er een nieuw biggetje arriveerde werd dit vervoerd in de koffer van onze personenwagen, in een veel te kleine kooi.
De rit en de kleine kooi verschrikten het beest zodanig dat we er achteraf nog maanden konden van nagenieten in onze grijze Lada.
Mijn moeder wilde dat toen ook couperen door overvloedig met Eau de cologne te sproeien, de cocktail van beide geuren maakte het alleen maar erger.



Daardoor is de vrouw naast mij geshockeerd. Ik kan haar het verhaal van het biggetje vertellen maar ik vrees dat dit het alleen maar veel erger zou maken.
Gelukkig heb ik een grote truukendoos.

“Ah, vous avez raison, maintenant je le sens aussi,” lieg ik tegen haar.
« Ah, c’est dégolas eh monsieur, » - ze heeft een compagnon.
En om het gebeuren helemaal goed te maken zeg ik erbij :
“Heureusement vous avez un bon parfum.” Nu klaart ze helemaal op.
“Het doet mij plezier dat anderen daar ook van kunnen genieten,” antwoordt ze.
Ik kan liegen dat het gedrukt staat maar hier moet ik passen.
“Ah, c’est déjà l’heure pour aller travailler,” – en dat is meteen mijn laatste kwakkel tegen haar.

“Bon courage,” roept ze me nog na.
“Profitez du soleil – maar niet teveel want het schijnt in Tenerife niet zo warm te zijn.”
Dat is helemaal naast de kwestie want ze trekt haar wenkbrauwen heel hoog op – ik gun haar blijkbaar de zon niet.

Vrouwen ?
Het blijven wezens van een andere planeet.

donderdag 8 juli 2010

Gespot

In de Kogelstraat glijd ik, zoals gewoonlijk op zondagochtend, uit over de scherven op de stoep.
In Dancing Nr 52 in de Kartuizersstraat heeft men de ruit aan diggelen geslagen, dat heeft lang geduurd.
Lord Byron, iets verder, heeft het elegant opgelost. Hij heeft de gaten in zijn ruit gevuld met isomobollen, het heeft wel wat.
Ook La Maison de la maison heeft zich helemaal ingeschreven in de cultuur van de wijk.
Die heeft zijn marchandise gewoon opgeraapt van straat en de gebroken autospiegels uitgestald in zijn vitrine.
Zo kan ik ook winkeltje houden.
Met het gebroken glas dat ik de laatste jaren in mijn buurt had kunnen verzamelen en verzilveren was ik slapend rijk geworden.

07 juli 2010