donderdag 23 december 2010

Gespot : Twee broers

De keurige ronde man arriveert in het Centraal. Hij draagt een blauwe das, een voornaam kostuum en een dure pardessus. Hij is vergezeld door een jongere man, identiek gekleed, ook goed gevuld.
Plots stopt de man en monstert zijn kompaan, hij fatsoeneert diens das, sluit zijn vest en vraagt hem zelf zijn jas dicht te doen. De jongen luistert gewillig. Alles gebeurt traag en bedachtzaam.
De man klopt op zijn schouder, beiden lachen, daarop gaan ze samen op weg, zij aan zij. Af en toe wijst de oudste iets aan, de andere lacht en knikt.

De man is een heer, gemanierd en gereserveerd, bekleedt ongetwijfeld een belangrijke post in zijn bedrijf.
Hij heeft een dagje vrij genomen en draagt op een heel voorbeeldige en volwassen manier zorg voor zijn mongoloïde broer.
Hij wil er niet bovenstaan, zijn broer wil niet voor hem onderdoen, onderandere daardoor zijn ze identiek gekleed. Er ligt een dik sneeuwtapijt, het is spekglad, dus hebben ze maar de trein genomen, ook al is hij dit niet gewoon maar beloofd is beloofd.
De jongen kijkt uit naar het Reuzenrad en de smoutebollen, twee dingen die de oudste niet spontaan in zijn hart sluit maar hij geniet omdat zijn broer geniet.

Kerstmis in de stad : boven de flitsende neons, de fletse kerststal en de schreeuwerige Electrabellen
lopen er onmerkbaar mensen in deze stad die de essentie van het kerstgebeuren hebben begrepen.

dinsdag 21 december 2010

Lunch chez Les Brasseurs.

http://www.brusselblogt.be/

De Tweede Sneeuw

In het maagdelijke Fontainasparkje is er welgeteld één passante.
Een zwarte vrouw trekt een diep spoor door de verse sneeuw.
Ze heeft gekleurde vlechtjes en behalve wandelen zingt ze luidkeels en uitgelaten.
Praise the Lord !
Is ze verrukt omwille van het witte manna dat zomaar uit de lucht komt gedwarreld ?

Het doet me denken aan het verhaal van de oude Westvlaming. Tijdens de Groote Oorlog staken Senegalese soldaten - indertijd overgevaren als kanonnenvoer - de sneeuw in een enveloppe en stuurden die op naar hun moeder, zo verbaasd waren ze.
Sneeuw in een briefomslag van de barre Ijzervlakte naar de dorre Sahel.

Deze vrouw is evenzeer verwonderd, het is een vreugdezang, iets dat ons vreemd is.
We vinden het allang vanzelfsprekend, de wonderen der natuur, straffer nog, we gaan er over sakkeren.
Te glad, gevaarlijk op de weg, files, vertraging op het spoor.
Afrikanen niet, die bezingen de natuurverschijnselen als geschenken van Moeder Aarde, al hebben ze ruimschoots hun deel in de ellende van de opwarming van de aarde.

Wat verder in de Kartuizersstraat is er toch nog vreugde omwille van het bevroren kristal.
Vier volwassen mannen, in keurig kostuum, gooien sneeuwballen naar mekaar, stellen zich verdekt op achter een wagen of in het portiek van een herenhuis. Ze roepen en schreeuwen als uitgelaten schooljongens.
Sneeuw maakt het kind in ons wakker, en bij uitstek mannen blijven Grote Kinderen.
Voor één keer mag het.

zondag 19 december 2010

Stadsbrief : Ik ga wonen in de St-Hubertusgalerij.

Beste Bruksel,
Wóónt er sowieso wel volk in de St-Hubertusgalerijen ?
Indien niet, zou dit een onvergeeflijke doodzonde zijn.
Al weken houd ik de appartementen boven de winkels in het oog. Héél, heel soms zie ik een flauw lichtschijnsel, dat kan een verdwaalde kat zijn die voor de lichtmelder loopt, de poetsvrouw of de conciërge, het is maar even - voor de rest : geen hond te bespeuren.
Ofwel zijn de bewoners rondreizende wereldsterren die slechts heel af en toe hun koffers komen uit- en inpakken ofwel zijn het gewoon spookappartementen. Zonde, zonde.

Daarom stel ik mij bij deze vrijwillig kandidaat om minstens zo één appartement te betrekken.
Ik beloof plechtig om iedere ochtend lichte barokmuziek te laten weerklinken uit de openstaande vensters, ik beloof je geurige bloemen, bloedrode rozen in elegante bloembakken, kleurrijke affiches aan de ruiten, witte en rode kaarsen voor mijn raam dag en nacht.
Af en toe een feestje, uitbundig maar beleefd, ik zal niemand storen, maar er zal wel leven zijn op de bovenste verdiepingen.

Mijn présence zal bevallig en aangenaam zijn, het zal de galerij kleur, glans en een zalig aroma geven, weg met die donkere en doffe ramen.
Mijn aanwezigheid zal ongetwijfeld nieuwe bewoners lokken en prikkelen, weldra zal de galerij bevolkt worden met vriendelijke, aangename inwoners die de chique winkels zullen soigneren en de bovenkant smaakvol arrangeren.

U weet mij wel te vinden,
Je Pacha Kroet.

vrijdag 17 december 2010

Gespot : De Zwarte Filosoof

Op een grote lichte stip in de middengang van de Fnac staat een donkere man. Zwart op geel.
Zaterdag tijdens de kersttijd, men kan op de koppen lopen. Mensen verdringen mekaar, kassa's lopen overvol, bankkaarten glijden gewillig in de betaalautomaten.
Hij staat op de gele stip en monstert het gewriemel.
Hij heeft zijn rechterhand onder zijn kin en ondersteunt zijn elleboog met de linkerhand.
Hij observeert, licht monkelend.
Hij verroert geen vin : een Zwarte Filosoof.

Het is eens wat anders dan het Leger des Heils.

woensdag 15 december 2010

Le Bruxellois

Ik had hem meteen herkend.
Ouder geworden, dat wel, maar nog steeds de joviale grijns, gedreven pas, uitbundige maar grijze krullen.
Vijfendertig jaar geleden zijn we samen afgezwaaid, zoals dat heet. In het Frans de 'démob', want ik heb mijn legerdienst volbracht in een franse eenheid in een Keulse voorstad, midden de bloedige Rote Armee Fraktion jaren.
Ulrike Meinhof zat gevangen in de gevangenis naast onze kazerne.
Er is ooit een klopjacht geweest naar een ontsnapte gevangene en de Polizei kwam ook bij ons neuzen.
We hebben er nog om gegrapt : wie ontsnapt er uit een gevangenis om zich te verschansen in een kazerne ?

Ik heb in Keulen geleerd dat er geen verschil bestaat tussen Vlamingen, Walen of Brusselaars.
Of toch - net zoveel en zo weinig als tussen koppige Westvlamingen, arrogante Antwerpenaars of bourgondische Brabanders.
Gerard was een Brusselaar pur sang, maar hij sprak geen gebenedijd woord Nederlands.
Hij complimenteerde me vaak met mijn Frans, "compliqué" dat ik zo'n moeilijk woord kende in het Frans, dat werd in Brussel amper gebruikt.
Ik was de kleine held van de compagnie, de flamand de service, want behalve Frans en Nederlands sprak ik ook een mondje Duits, ik was de ideale gids voor mijn franstalige kameraden.
Ik onderhandelde voor hen met Duitse prostituées, maar dierf niet vertalen wat ze me voorzegden, vooral die van Liège waren heel ongemanierd, om het proper te zeggen.

Gerard had een lief in Sint-Niklaas, ze hadden mekaar leren kennen in de oude Métropole-dancing in de rue Neuve. Zijn lief sprak geen woord Frans. Het was liefde op het eerste gezicht, er was geen andere keuze :
"We konden niks anders doen dan vrijen," lachtte Gerard, "want we konden geen woord tegen mekaar zeggen."
We hebben samen onze 'démob' gevierd in diezelfde Métropole, het was een regenachtige vrijdagavond in de maand februari,  in de vroege jaren zeventig.

"Eh bien Gerard, on se débrouille déjà en néerlandais ?".
"Jaja," zei hij met een licht accent en een knipoog, "maar ik heb mij niet gepresseerd."
"Petit salaud," lachtte ik terug.
Witgrijs, dat wel, maar nog geen haar veranderd.