zaterdag 25 juni 2011

Gespot : Een Chirurg is ook maar een Mens



Een dokter in groen plunje komt tussen twee prestaties door een koffie nuttigen in het cafetaria van een Brussels ziekenhuis. Hij luistert gespannen naar een collega die vermoedelijk zijn assistent of stagiair is, want hij bekijkt hem heel streng.
Terwijl het gesprek vordert krijgt de man jeuk aan zijn reukorgaan.
Een paar keer krabt hij zenuwachtig aan zijn neus, bij een verlaten moment zelfs even in zijn neusgaten.
Als zijn tafelgenoot zich verwijdert gaat hij voluit.
Met zijn rechterwijsvinger haalt hij een joekel van een keutel uit zijn enorme neus.
Hij bekijkt het gedrocht even met het geoefende oog van een chirurg, oordeelt het weinig bruikbaar en versplintert het vervolgens tussen duim en wijsvinger. De kruimels vallen op zijn lege bordje.
Daarop fatsoeneert hij heel even zijn beide vingers aan zijn monddoekje.
Net op tijd als de collega een verse koffie voor hem neerzet.

We worden vaker genaaid dan we denken.

donderdag 23 juni 2011

De Wetenschappelijke Schorser

Het vrolijke meisje komt gezwind het Fontainasparkje ingefietst.
Korte jeansshort, olijk hoedje, zwarte nylons, gekleurde fiets.
Ze zuigt ogenblikkelijk de aandacht van de hangjongeren : een vreemde eend in de bijt, een frisse bries.
Zij kijkt naar niemand of niets om.
Plots remt ze bruusk aan de boom op het geplaveide middenplein.
Ze bekijkt deze grondig en plukt een stukje schors van de stam. Daarop bestudeert ze het lang en grondig en wil het daarna terughangen, maar blijkbaar lukt dat niet.
Ze lijkt ontgoocheld, bekijkt het opnieuw en steekt het daarop, lichtjes hoofdschuddend, in haar schoudertas.
Vervolgens rijdt ze dwars en ongegeneerd door het Afrikaanse groepje dat zich altijd in het midden van het park ophoudt.
Die kijken heel verbaasd als ze daar opnieuw een vingervol schors aan een boom ontfutselt.
Ditmaal kijkt ze verrukt : ze heeft de gepaste bast beet.
Ze keert de fiets, intuïtief wordt ze aangezogen door het boompje aan het voetbalterrein.
Ze stapt van haar rijwiel en omarmt liefelijk de boom. Er wordt echter niet gezongen, ze praat evenmin met de berk, er gaat geen ritueel aan vooraf. Alles gebeurt in volstrekte stilte.
Strelen doet ze wel, heel even, betast hem behoedzaam met beide handen en glijdt naar beneden.
Ze lacht, ze heeft wat ze zoekt, ze pulkt een stukje van de boom en likt er voorzichtig aan.
Ze steekt het zorgvuldig weg alsof het een kostbaar kleinood betreft.
Dan springt ze welgezind op haar fiets, kijkt even rond en rijdt zingend het park uit.
De parkjongeren kijken haar na, twee jongens gaan het boompje bestuderen, ze lachen en schudden het hoofd. Eéntje zet een wijsvinger tegen zijn slaap.
Als ze het park uitrijdt wuift ze heel even, haar groene vrienden knikken voldaan, ontdaan van hun puisten.

Er zijn vele geheimen in deze stad.

dinsdag 21 juni 2011

Stadsbrief : Goed geflikt



Beste Bruksel,
Vandeweek stond ik in een ellenlange file ter hoogte van de Brug naar Metrostation Beekkant.
Meestal heb ik daar geen last van omdat ik mij verplaats met het openbaar vervoer, de fiets of tevoet, maar dus niet vandeweek.
De oorzaak verbaasde mij enigzins : het waren namelijk uw eigenste agenten die de obstructie veroorzaakten.
Niks geen dringende interventie, in de verste verte geen kalashnikovs te bespeuren, evenmin een opstootje van hangjongeren, geen carjacking, hooligans of Al Qaida's.

Het betrof een simpele berisping aan een foutparkeerder, de heren hadden zich pal op de rechterstrook gestationeerd terwijl ze poepgemakkelijk een paar meter verder konden parkeren.
Gevolg : alles muurvast tussen Gentsesteenweg en de Ninoofse, Delaunnoy : potdicht.

Idem dito de dag nadien op de Papenvest : stilstand in de smalle straat om een motorrijder zonder helm te sanctioneren. Het volstond dat één van de twee wetsdienaars uitstapte en de andere zich wat verder op het voetpad parkeerde om het verkeer vrije doorgang te verlenen.
De Heren voelen zich duidelijk boven de Wet verheven.
Voorbeelden wekken !
Mierenneukerij ?

Dat heet goed geflikt worden, geef ze eens een flinke berisping.

Je, Pacha Kroet.

zondag 19 juni 2011

De oppas

Op het lege terras van de Monte Christo zitten een jongen en meisje heel alleen, samen aan een rond tafeltje.
Binnen is de T-Dansant bezig, koppels van middelbare leeftijd dansen voortreffelijk de samba in de late zondagnamiddag. Vooraan zitten wat overjaarse dames te wachten op hun Droomprins.
Soms kan het wachten lang duren.
Net zoals de jongen en het meisje wachten.

De Pakistaanse jongen kijkt zonder een krimp te geven onafgebroken naar het blonde puisterige meisje.
Hij is knap en modieus gekleed, zij neigt naar het onverzorgde, haar paardestaart onelegant in een warrige knoop.
Zij heeft het net uitgemaakt en hij staart ongelovig, verward en kwaad naar haar.
Zij is triest maar ze weet dat de breuk onoverkomelijk is.
Ze is het beu dat zij in alles het initiatief moet nemen, zelfs om zijn papieren voor de chômage en zijn nieuwe pas in orde te brengen.
Ze heeft veel over gehad voor de jongen want ze was smoor op zijn mysterieuze oosterse blik en zijn ranke voorkomen.
Hij wist dat en liet zich graag door haar verwennen, het zou zijn tijd wel blijven duren, dacht hij.
Daarom is hij zo verbaasd, ontredderd, perplex.
Hij blijft staren, soms kijkt zij hem in de ogen, zijn blik wijkt niet, er wordt geen woord gezegd, daarop kijkt zij weer weg.
Eén duif strijkt neer, kirt wat over en weer, voelt de beklemming en verdwijnt weer.
Flarden van de chachacha, bij het open en toe gaan van de Monte Christo, heel even maar, als lichte migraine.

Hij blijft staren, alsof hij haar wil binnenzuigen.
Zij kijkt opnieuw naar hem, er valt geen woord.
Dan begint ze heel lichtjes te wenen, ze neemt haar zakdoek, geen hartverscheurend verdriet, eerder uit onmacht.
Dat geeft hem hoop, zijn blik blijft haar doorgronden, maar ze weet dat het onvermijdelijk is.
Ze verlangt een volwassen relatie, niet de zorg voor een groot kind.
Ze weet dat ze nu moet doorbijten.
Daarop staat ze recht en vertrekt zonder nog een woord te wisselen.
Hij blijft haar aankijken tot ze het terras verlaat. Dan buigt hij het hoofd.

Zij heeft een lief verloren, hij een oppas. Dat scheelt.

vrijdag 17 juni 2011

Gespot : Haast en Spoed



Het zwartharige meisje rent als een hazewind de trappen af aan de Beurs.
Tram 3 is net gearriveerd maar de trappen zijn lang en diep.
Het is een verloren strijd. Altijd, altijd kom je telaat. Uitgeblust en bezweet beland je voor
een tram die onverbiddellijk zijn deuren sluit en sta je voor schut.
Het meisje draagt bovendien hoge hakken en dat zal ze geweten hebben.

Op de voorlaatste trede struikelt ze ongelukkig, maar valt gelukkig.
Alleen is haar voet verzwikt of wellicht gebroken.
Dat is minstens een maand werkonbekwaam : een dure rekening en veel ongemak voor een
vluchtige opstap.
Ik heb het allang (af)geleerd : na een tram komt altijd een andere.

woensdag 15 juni 2011

Het Weldra Koppeltje

Het meisje en de jongen zitten achter mekaar op de éénzitten tussen Albert en de Hallepoort.
Om het praten te vergemakkelijken heeft hij zich zijdelings gezet zodat ze niet face to face zitten, wat al te indringend oogcontact vermijdt, maar zij hem wel van opzij kan bekijken.
Beide jongelui zijn welgeschapen, geen verpletterende schoonheden, dat verblindt en praat moeilijk, maar just two ordinary charming young people.
Daarenboven zijn ze vriendelijk, haast lief voor elkander.

Ze waren mekaar al opgevallen in de klas en vermits ze beide dezelfde richting uitgingen was het samenzitten haast vanzelfsprekend. Het gesprek gaat over waar ze het goedkoopst aan kledij en boeken geraken, maar dat is volstrekte bijzaak.
Ze zijn naast vriendelijk en lief ook beleefd, het meisje lacht vaak maar nooit slijmerig.
Hij kan goed luisteren, dat is niet vanzelfsprekend bij jongens.
Zij kijkt nog net niet verliefd, hij ziet het nog wat af, maar is heel zeker geïnteresseerd.
Inplaats van meteen aan de slag te gaan zitten ze in de snuffelperiode.
Wat ruiken, aftasten, gevoeligheden leren kennen.
De ganse rit verloopt in volstrekte harmonie : zij vertelt, hij luistert, repliceert, zij voegt iets toe, hij lacht en bevestigt, zij knikt.

Beide zijn sportief gekleed, hij in gestreepte sweater en ongedwongen spijkerbroek. Zij in een jeanspakje, het witte hemd losjes onder het vestje, het haar proper opgestoken.
Ze hebben allebei gemengde genen, maar dat maakt helemaal niets uit, puur toeval.

Aan de Hallepoort stappen ze uit, bij het uitstappen treft hij drie maten, ze babbelen heel even en willen hem meetronen. Het meisje wacht beleefd, lichtjes verlegen.
Hij twijfelt geen moment : zij lacht heel lief en kijkt nu erg verliefd.
De frisgroene schoonheid van een prille liefde.