zaterdag 21 mei 2016

Onbescheiden bescheiden

Ze heeft één nagel gestift in gifgroen. Enkel de wijsvinger alsof ze er vernietigend wil mee uithalen. De andere nagels zijn hemelsblauw.
Met haar beide handen houdt ze het laatste boek van Catherine Millet bespottelijk hoog alsof ze alle gasten in het Volkshuis kond wil maken hoe gecultiveerd, trendy en à pointe ze wel is.
Het boek gloeit nog van de verse inkt.

Ik zou het boek nooit zo opvallend hoog tillen, absoluut not done. Ik doe het veeleer bedaard zodat mensen getriggerd worden, komen gluren alsof ik een mysterieuze schat verberg.
Ik lees evenmin wat brandend actueel is, dat wijst op een naïef en blindelings, slaafs ondergaan van de boekenbijlagen. Dat soort volgzaamheid staat ver van mij af.
Uiteraard moet je mee zijn met wat er verschijnt maar ook hier is weer afstand geboden. Het even op kant zetten, zien wat overeind blijft, vergelijken met andere commentaren en wat zich staande houdt later mee uitpakken, terloops, als een volleerde kenner.
Je drinkt ook niet meteen gulzig de jonge Bourgogne, tenzij je een dunne portefeuille hebt.
Neen, dat soort bescheidenheid siert mij, gepaard aan een zekere afstandelijkheid, een gereserveerdheid die prikkelt.
Daardoor straal je niet enkel cultuur en gedegen kennis, maar ook discretie en wijsheid uit.

Dat lees en ontbeer ik allemaal in de potsierlijke houding van de vrouw met de gestifte nagel.
Alsof ze er indringend mee naar mij wijst.
De gifgroene Feeks.

maandag 11 april 2016

Voor Altijd

Hij was zo’n minzame opa aan wie je elke koter meteen en blindelings had toevertrouwd.
Maar hij was hier met zijn dochter. Zij was zwaar maar niet dik, bleek, helemaal in het zwart en haar hoofddoek verraadde de kwaal.
Hij haalde de schotel terwijl zij berichtjes stuurde. Een man, teder maar niet soft, bewaarde de juiste afstand maar tegelijk oprecht geïnteresseerd. Een helder evenwicht.
Gaat het ? – Ze knikte alleen maar, keek hem amper aan. Zei nog iets en ze knikte weer kort.
Hij keek weg terwijl ze at en verzonk heel even in gedachten. Hij had hier op haar plek moeten zitten, terwijl zij voor hem zorgde. Er was geen moeder meer en geen man. Misschien is hij straks helemaal alleen. Een man, doordacht, wijs geworden niet door boeken of scholing maar door gezond verstand. Gehard en gesterkt. Hij wuifde de gedachte meteen weg, herpakte zich, lachte minzaam.
Zij at nog steeds, leek bitter om alles, omdat haar vader nu, op haar veertigste, nog haar toeverlaat was, omdat ze alleen was, ziek, omwille van wat haar nog te wachten stond.
Misschien wilde ze wel vriendelijk zijn maar ze leek meer op haar moeder, die zwijgzaam was, een beetje zuur. Ze kan het niet nu, hier in het cafetaria van die kliniek, ze had teveel om haar hoofd.
Hij begreep het en liet het gebeuren. Vroeg enkel nog : gaan we, en ze knikte.

Dan duwde hij de rolstoel, een kwieke midzeventiger. Voor altijd Vader.

zaterdag 13 februari 2016

Man en Kind

Zij weet niks van voetbal of boksen. Ze is zot van de nieuwe K3, dat ziet hij aan haar T-shirt.
De lucht is leigrijs, felle wind. Het zou herfst kunnen zijn, ze zitten met hun rug naar het raam.
De camioneur en zijn dochter eten en zwijgen.
Hij kaal, fors, maar niet al te groot, kijkt stuurs opzij over het hoofd van zijn dochtertje, in de leegte van het Carestel restaurant.
Ze is niet ouder dan tien. Met wollen kousen en zwarte laarsjes, kijkt voor zich uit, wat verlegen en soms tersluiks naar haar stugge vader. Ze weet evenmin wat zeggen. Vraagt nooit iets, hij, weet amper waar ze school loopt.
Ahja, zegt hij soms, als ze toch iets zegt over haar resultaten op school of een grappig voorval met een vriendin. Ahja, zonder op te kijken.
Hij vraagt het nooit, hij zegt niet goed of slecht. Ze moeten het met mekaar doen, speling van het lot. Ze eet snel alsof ze liefst weer gewoon naast hem kan zitten in de grote vrachtwagen, turend naar de brede weg voor hen. Dit moment is het moeilijkste van de rit, het tegenover mekaar zitten zwijgen, het zelfs niet zoeken naar elkaar.
Is al geen vlotte causeur, al helemaal niet met een meisje van tien.
Heel soms als ze het niet ziet werpt hij een blik op haar. Geen tedere, aarzelend, ook niet verachterlijk, gewoon onverschillig. Er is geen liefde en geen belangstelling. Een oorveeg zou op zijn minst een uiting zijn, het weze onvermogen, maar ze zou bestaan.

Dan ruimt hij af, zonder iets te zeggen, zij volgt gelaten, ietwat schuw loopt ze achter hem, een schichtig hondje achter haar baasje.

zaterdag 16 januari 2016

Er was geen plaats meer in de oven

Er was geen plaats meer in den oven. 
Dan doen we alleen de koffietafel en daarachter wordt hij verbrand. 
Spijtig maar ik kan niet komen, ik heb les, zeg ik tegen mijn vader.
Wie gaat er dan filmen ? vraagt hij – Ja, dat weet ik niet hé. Hij kan da toch zelf.

-Waar ge d’er door voor fysica ? vraagt zij. ‘k Weet het nog niet, negen op de tien wel zekers ?
-Hoe oud was uw opa eigenlijk ? – k Weet het zelf niet goed, vanachter in de tachtig zekers ?
Hij tokkelt wat op zijn Smart, een blozende twintiger, sticker van Erasmus op zijn Ipad.
Het meisje met zwartwitte outfit en bevallige hoofddoek.
Ik heb mij thuis wat bezig gehouden met Frans, dat is mijn zwak punt, zegt de jongen. Stom dat we da moeten kunnen. Anatomie is toch ’t belangrijkste. Ik maak vantijd zo van die domme fouten waar da ge dan veel punten mee kwijt zijt.
Gaat uw zus naar de begrafenis ? Nee, die is gisteren vertrokken op reis met haar lief.

Tegenover beide aspirant verplegers zit een gezette blonde vrouw, ze is in slaap gevallen bij het lezen van de ongemeen spannende Paula Hawkins. Op de bus ingedommeld op bladzijde 29 van Het meisje in de Trein.

Is uw valling nu beter ?

Ja jong, heb een week thuis gezeten.
Ik  snuit nu toch al minder.

maandag 7 december 2015

Een beetje pijn

De roodharige, vermoedelijk Poolse arts boezemt mij meteen alle vertrouwen in. Ik weet niet zeker of we iets gaan vinden, maar we gaan ons best doen.
Van die soort zijn er te weinig. Geneeskunde is geen exacte wetenschap, ik ga u niets wijsmaken maar ik ga mijn verdomde best doen. Maar ze vindt het, opgelucht, niet in het minst voor mij.
Ik ga u wel een beetje pijn moeten doen, zeg het maar als het niet gaat, zegt ze in onberispelijk Nederlands met een donker accent. Nadien legt ze me haarfijn alles uit. Een banaal bloedvaatje heeft de roodharige arts dicht gebrand.

Een beetje pijn. 
Ik moet er aan denken in het cafetaria van dezelfde kliniek. Voor mij zit een bleek meisje, armen als breekbare potloden, haar beide benen geamputeerd. Ook haar vingers zitten in een verband. Ze is niet gelaten, eerder opgelucht, ontsnapt uit een hel.
Ze is nog zwak, overal hangen apparaten aan de rolstoel. Een gezette vrouw duwt haar, maar ze weert haar vriendelijk af. De vrouw legt haar hand op haar schouder. Ze bestelt een kleine vleesschotel, de vrouw betaalt. Het meisje blijft lang kijken naar het mega reclamebord Latte Caramel, een reuzeglas chocolade, ze lijkt er door gebiologeerd.
Dan gaan ze beide in een hoekje zitten, alsof ze de andere klanten vooral niet willen storen, het is geen fraai zicht. Ze blaast haar halflange haren uit haar gezicht, trekt met haar linkerpink de vork die dreigt te vallen behendig op het dienbord.

Het doet een beetje pijn haar zo te zien, een geknakt riet. Zij duwt met haar nageldunne armpjes moedig de rolstoel. Amper twintig, het moet vooruit gaan.

Er ligt nog een heel leven open.

maandag 2 november 2015

Ik ben blij dat gij in mijn team zit

Hij lijkt me geen zakenman, is hij te ontspannen voor. Evenmin uit de zorgsector, kledij leent er zich niet toe. Een leraar wiskunde ? Een parastatale ? Ambtenaar ?
De zin die voorbij waaide aan de Warande, in zijn mobieltje, een wolkje veelbelovend parfum, doet me weifelen.
Ik heb het in de groep ‘gelegd’.

Een groep leent zich voor veel. 
Het in de groep gooien bijvoorbeeld, een clusterbom, je ruikt het conflict al. 
Ik heb het in de groep gezegd, dat is eerder monkelen, willen maar niet kunnen, nonchalant, snel er tussen om er vanaf te zijn, liefst niet discussiëren. Een korte passage.
Nog zoiets, ik heb het achtergelaten in de groep. Tja, dan ben je d’er mooi vanaf. De verweesde gedachte, hier groep, zorg maar voor mijn kindje, de vondelingenschuif.
Hélemaal van de pot gerukt : ik heb het geparkeerd in de groep. Daar kan ik een boek mee vullen, de gestalde ideeën en suggesties. Zo op het einde van het jaar nog eens rommelen in het diepvriesvak van de afspraken, ah, het ligt er nog, we zijn gerust. Bevroren schimmel.

Neen, deze man legt het.
Zoals een kind, liefdevol en fragiel in een warme kribbe. Dat gaan we samen koesteren en groot brengen. Bij stil staan. Opvoeden, dan moet het zelf zijn weg zien te vinden.

Het honoreren van het zoeken. Je hoort het antwoord groeien.

vrijdag 16 oktober 2015

Claudette

Ik zag haar nog amper, eigenlijk nooit meer. Mensen komen en gaan. Ik ging elders gaan werken, zij werkte allang niet meer. Ik kwam er vaak, na de werkdag, we waren niet echt close, maar toch. 
Ze was niet uitgesproken knap, wel sexy. Lange blonde gevlochten staart, vrijwel altijd kort gerokt, sober parfum. Wat opviel, ze was lenig. In een vroeger leven was ze ongetwijfeld keurturnster geweest.

Ze bediende de mannen afgemeten, niet onbeleefd, zeker niet hartelijk. Zakelijk. Zij die flirtten hield ze kordaat op afstand. Zij koos zelf, dat leek eigenaardig want ze liet zich graag bewonderen. Schudde met haar kont, nooit hoerig, heel naturel. Heb haar nooit geweten met een klant uit het café, werk en privé strikt gescheiden.

Ze zei het zelf, ongegeneerd, maar niet voor het ganse café. Ze kon geen dag zonder, verslaafd, zo noemde ze het. Minstens ’s ochtends en ’s avonds. Het minimum minimorum. Tijdens het weekend verlangde ze, neen, moest er vaak worden gepresteerd.

Ik was nooit een partij voor haar. Klant, en ze wist dat ik trouw was, en te jong, onervaren en met teveel complimenten, en te braaf. Ze had ze liever met een hoek af, niet teveel blabla, dom en gespierd, een lekker lijf. 
Ik heb ze nooit gezien, zelfs niet die éne keer toen ik ze hielp verhuizen, maar ze waren er in alle kleuren. Zwart en blank, Noord Afrikanen, bodybuilders, ex-gevangenen.
Ze moesten wel proper zijn, ze werden gedoogd, gebruikt en gedumpt wanneer de honger over was. Maar onderwijl had ze zal gekozen, zat nooit zonder. Er was nooit sprake van liefde, verkrampt en bedwelmd door haar drift, een op hol geslagen libido. Het was een tijd waarin alles nog ambachtelijk gebeurde, waren er toen pornosites geweest, zij, een wrak gelijk.

Het had gekund, dat ze voor zichzelf begon, maar dan had ze niet te kiezen, pakken wat ze geven. Daar bedankte ze voor. Ze wilde van boven liggen.
Ze zat in een hoekje van mijn geheugen. Wellicht liep geen enkele vrijer achter haar kist.
Of allemaal. Want ze was zo gul.