Beste Bruksel,
De Brusselse Vlaming is niet alleen een uitstervend ras, het is evenzeer een miskende en een uitgespuwde mensensoort.
De modale Vlaming beschouwt ons als een verrader van taal en volk omdat we teveel Frans spreken in uw stad. Samen met hun hoofdstad worden we helemaal verguisd door onze taalgenoten.
Voor de Tobbacks van deze wereld worden we integendeel verpamperd en eindeloos verwend : de Dansaertvlaming die schaamteloos profiteert van bergen subsidies welke vooral worden opgesoupeerd door franstaligen.
In de Brusselse klinieken worden we amper tewoord gestaan door de vastbenoemde FDF-receptionisten.
In de betere winkels van de Avenue Louise of de Toison d'Or worden we niet begrepen.
Door veel jonge Marokkanen worden we steevast bestempeld als Vlaams Blokkers, alleen maar omdat we nederlandssprekend zijn.
Bij de regeringsonderhandelingen worden we misbruikt als pasmunt of in ruil voor veel losgeld gegijzeld.
Wij zijn een minderheid tussen de vele minderheden in deze stad en daardoor oninteressant, wegens te weinig, te schaars kiesvee, en te min.
Wij zijn een niet erkende, onbegrepen minderheidsgroep.
Dat is het lot van de Brusselse Vlamingen, ondanks of dankzij alles een content volkje, maar toch
in 2O11 : Ayez pitié pour les flamands-bxl.
Je, Pacha Kroet.
vrijdag 31 december 2010
woensdag 29 december 2010
De Verrezen Apostel
De zwarte moustache, aandachtig luisterend naar de vieze clochards in de oude gang van het Noord, is hij het werkelijk ?
Jean-Paul Vastiau - het kan geen toeval zijn dat ik in dezelfde week twee stokoude maten terugzie, 35 jaar nadat we samen een groezelige soldatenkamer deelden in Keulen.
Jean-Paul, midden zijn biotoop. Wij noemden hem de Apostel van de compagnie.
Wonderlijk man, bleef altijd zichzelf, er werd wat mee gemonkeld, maar hij dwong onvermijdelijk respect af.
Jean-Paul speelde viool, hij mocht iedere dag een uurtje oefenen, in de vooravond, helemaal alleen op de kamer. Cultuurbarbaren die we waren trokken we ons terug in de kantine waar we ons bezatten aan zesderangs Jupilers. Onderwijl toverde hij heerlijke melodieën uit zijn snaarinstrument.
Hij woonde in het Luikse, in een christelijke basisgemeenschap, hij had zijn handen vol met ons.
Hij kuiste geduldig de kots, viste het vals gebit van zatte Claude uit de WC-pot, ving de bleukes op nadat hun bed was omvergekiept. Hij nodigde ons uit om te gaan wandelen : "Le parc est très beau au printemps..", jaja dat zal wel.
Eén keer is de aalmoezenier gepasseerd. We hadden net een weerspannige kamergenoot opgesloten in een kast. Toen de proost achteloos vroeg of we over iets wilden praten begon Michel, die een vreemde stem ontwaardde, op de kast te bonken. De arme man is nooit meer teruggekeerd.
Hoefde niet, wij hadden onze eigen zieleherder.
Toen Antoine zelfmoord wilde plegen en zich te pletter gooide uit het venster, was hij de eerste beneden.
De eerste aan zijn bed, de eerste bij wie Toine uithuilde.
Toen de lange spichtige Lucien zijn opwachting maakte als de nieuwe facteur werd hij snel door iedereen uitgespuwd. Ambetant karakter, zure jongen, eenzaat, wilde met niemand contact.
Op een avond komt hij straalbezopen de kamer binnen, hij zet zich neer op bed en begint te huilen als een in de steek gelaten kind. Schokkend, reddeloos verloren, hartverscheurend.
Hij staat op, opent de kast, rukt woedend alle pin-ups van de deur en hangt één foto aan de binnenkant : de foto van zijn moeder.
Zij was overleden de maand vóór hij bij ons arriveerde. Eén en ander werd duidelijk : alleen Jean-Paul wist ervan.
Zo stond hij hier ook weer in de Nord, midden de verworpenen der aarde, een Schone Mens.
Neen, we wisselden geen e-mails of telefoons uit, wat zouden we mekaar meer kunnen vertellen na al die jaren.
Neen, hij zit niet op Facebook.
Hij heeft wel wat anders om handen.
Jean-Paul Vastiau - het kan geen toeval zijn dat ik in dezelfde week twee stokoude maten terugzie, 35 jaar nadat we samen een groezelige soldatenkamer deelden in Keulen.
Jean-Paul, midden zijn biotoop. Wij noemden hem de Apostel van de compagnie.
Wonderlijk man, bleef altijd zichzelf, er werd wat mee gemonkeld, maar hij dwong onvermijdelijk respect af.
Jean-Paul speelde viool, hij mocht iedere dag een uurtje oefenen, in de vooravond, helemaal alleen op de kamer. Cultuurbarbaren die we waren trokken we ons terug in de kantine waar we ons bezatten aan zesderangs Jupilers. Onderwijl toverde hij heerlijke melodieën uit zijn snaarinstrument.
Hij woonde in het Luikse, in een christelijke basisgemeenschap, hij had zijn handen vol met ons.
Hij kuiste geduldig de kots, viste het vals gebit van zatte Claude uit de WC-pot, ving de bleukes op nadat hun bed was omvergekiept. Hij nodigde ons uit om te gaan wandelen : "Le parc est très beau au printemps..", jaja dat zal wel.
Eén keer is de aalmoezenier gepasseerd. We hadden net een weerspannige kamergenoot opgesloten in een kast. Toen de proost achteloos vroeg of we over iets wilden praten begon Michel, die een vreemde stem ontwaardde, op de kast te bonken. De arme man is nooit meer teruggekeerd.
Hoefde niet, wij hadden onze eigen zieleherder.
Toen Antoine zelfmoord wilde plegen en zich te pletter gooide uit het venster, was hij de eerste beneden.
De eerste aan zijn bed, de eerste bij wie Toine uithuilde.
Toen de lange spichtige Lucien zijn opwachting maakte als de nieuwe facteur werd hij snel door iedereen uitgespuwd. Ambetant karakter, zure jongen, eenzaat, wilde met niemand contact.
Op een avond komt hij straalbezopen de kamer binnen, hij zet zich neer op bed en begint te huilen als een in de steek gelaten kind. Schokkend, reddeloos verloren, hartverscheurend.
Hij staat op, opent de kast, rukt woedend alle pin-ups van de deur en hangt één foto aan de binnenkant : de foto van zijn moeder.
Zij was overleden de maand vóór hij bij ons arriveerde. Eén en ander werd duidelijk : alleen Jean-Paul wist ervan.
Zo stond hij hier ook weer in de Nord, midden de verworpenen der aarde, een Schone Mens.
Neen, we wisselden geen e-mails of telefoons uit, wat zouden we mekaar meer kunnen vertellen na al die jaren.
Neen, hij zit niet op Facebook.
Hij heeft wel wat anders om handen.
maandag 27 december 2010
Gespot : Een Scheet
Onder de nieuwe Cambio-affiche met de ronkende titel : "Cambio, een nieuwe wind..", laat een grote zwarte Hiphopper een reuzescheet gelijk aan een Hiroshimalight.
Hij staat heel alleen op het perron van de Beurshalte. Hij lacht breed : een bevrijd man.
Gelukkig staat hij aan de verkeerde kant van het perron, de mensen die langs die kant uitstappen zullen vandaag sneller op het werk zijn, ook al is het spekglad buiten.
Voor ons valt de schade mee, maar Cambio zal voor mij nog lang een vieze bijsmaak hebben.
Hij staat heel alleen op het perron van de Beurshalte. Hij lacht breed : een bevrijd man.
Gelukkig staat hij aan de verkeerde kant van het perron, de mensen die langs die kant uitstappen zullen vandaag sneller op het werk zijn, ook al is het spekglad buiten.
Voor ons valt de schade mee, maar Cambio zal voor mij nog lang een vieze bijsmaak hebben.
zaterdag 25 december 2010
De Kerstnmbis
"Eik, ik krijg tegenhonger van vis."
'Tegenhonger ?' - nooit van gehoord en ik ben niet zeker of ik het begrip wil promoten.
'Tegenhonger' begrijp ik uit de verdere conversatie slaat op weerzin, tegengoesting, iets dat de honger doet kantelen.
Ik zit op de Kersttrein tussen Brussel en Zottegem, we staan als haringen op mekaar geplakt tot tussen de zitbanken van de reizigers. Aan Brussel-Zuid moet men tientallen ongelukkigen weigeren. Een zware Marokkaanse maakt zich nog dikker omdat we niet doorschuiven. Moeten we soms in de bagagerekken gaan hangen ?
"We hebben verleden jaar een muurke afgebroken in onze keuken."
"En vantjaar weer gemetst op dezelfde plek', vult haar man aan.
"Waar waren ons gedachten ?
Haar collega beaamt een gelijkaardig voorval : "Ons badkamer was veel te koud. W'hebben al de steentjes afgebroken en nu dezelfde weer tegengeplakt."
Vlamingen met bakstenen op hun maag, ge zou er tegenhonger van krijgen.
"Bij mij zijn het scampi's,' - "Bij mij lamskoletjes," zegt Madam Tegenhonger.
De trein blijft treiterig lang staan, ik kijk uit op een kalende man onder mij, hij is erin geslaagd zijn haar te laten knippen in een gelijkbenige driehoek, met de punt net boven zijn voorhoofd. In deze tijden zie ik er eerder een dennenboom in en ik fantaseer er meteen wat kerstlichtjes bij, zou nog een trend kunnen worden.
Wat moet een mens anders rechtopstaand tussen Brussel en Zottegem ?
Ik stel mij deze situatie voor in een verder geregionaliseerd land. Er zal dan vermoedelijk een Vlaamse wagon zijn, met meer comfort, maar ook wat duurder dan de Waalse wagon. De Brusselaar is dan de buffer tussen de twee wagons.
De Brusselaar als noodzakelijke buffer tussen de Vlamingen en Walen, onmisbaar om de Belgische trein te laten rijden. De metafoor klopt niet helemaal : wie is de machinist ?
De Waal heeft vermoedelijk ziekteverlof op een feestdag. De Vlaming is zijn badkamer aan het verbouwen.
Dat promoveert dan weer een Brusselaar als stuurman voor de Belgische trein. Moeten ze misschien eens proberen.
"Ge zou een tegengoesting krijgen van met de trein te rijden," zegt Madam Tegenhonger alsof ze mijn gedachten raadt.
Dan is er de warme stem van de treinwachter :
"Goeienamiddag beste reizigers, zoals u heeft gemerkt is er veel volk op deze trein. Ingevolge een tekort aan wagons wegens het slechte weder. Maar.. laat er ons samen het beste van maken."
Hilariteit alom op de trein en tenslotte luid applaus en gejuich.
De zure gezichten klaren op, zelfs Madam Tegenhonger lacht breed.
Het wordt toch nog een mooie Kerstmis.
'Tegenhonger ?' - nooit van gehoord en ik ben niet zeker of ik het begrip wil promoten.
'Tegenhonger' begrijp ik uit de verdere conversatie slaat op weerzin, tegengoesting, iets dat de honger doet kantelen.
Ik zit op de Kersttrein tussen Brussel en Zottegem, we staan als haringen op mekaar geplakt tot tussen de zitbanken van de reizigers. Aan Brussel-Zuid moet men tientallen ongelukkigen weigeren. Een zware Marokkaanse maakt zich nog dikker omdat we niet doorschuiven. Moeten we soms in de bagagerekken gaan hangen ?
"We hebben verleden jaar een muurke afgebroken in onze keuken."
"En vantjaar weer gemetst op dezelfde plek', vult haar man aan.
"Waar waren ons gedachten ?
Haar collega beaamt een gelijkaardig voorval : "Ons badkamer was veel te koud. W'hebben al de steentjes afgebroken en nu dezelfde weer tegengeplakt."
Vlamingen met bakstenen op hun maag, ge zou er tegenhonger van krijgen.
"Bij mij zijn het scampi's,' - "Bij mij lamskoletjes," zegt Madam Tegenhonger.
De trein blijft treiterig lang staan, ik kijk uit op een kalende man onder mij, hij is erin geslaagd zijn haar te laten knippen in een gelijkbenige driehoek, met de punt net boven zijn voorhoofd. In deze tijden zie ik er eerder een dennenboom in en ik fantaseer er meteen wat kerstlichtjes bij, zou nog een trend kunnen worden.
Wat moet een mens anders rechtopstaand tussen Brussel en Zottegem ?
Ik stel mij deze situatie voor in een verder geregionaliseerd land. Er zal dan vermoedelijk een Vlaamse wagon zijn, met meer comfort, maar ook wat duurder dan de Waalse wagon. De Brusselaar is dan de buffer tussen de twee wagons.
De Brusselaar als noodzakelijke buffer tussen de Vlamingen en Walen, onmisbaar om de Belgische trein te laten rijden. De metafoor klopt niet helemaal : wie is de machinist ?
De Waal heeft vermoedelijk ziekteverlof op een feestdag. De Vlaming is zijn badkamer aan het verbouwen.
Dat promoveert dan weer een Brusselaar als stuurman voor de Belgische trein. Moeten ze misschien eens proberen.
"Ge zou een tegengoesting krijgen van met de trein te rijden," zegt Madam Tegenhonger alsof ze mijn gedachten raadt.
Dan is er de warme stem van de treinwachter :
"Goeienamiddag beste reizigers, zoals u heeft gemerkt is er veel volk op deze trein. Ingevolge een tekort aan wagons wegens het slechte weder. Maar.. laat er ons samen het beste van maken."
Hilariteit alom op de trein en tenslotte luid applaus en gejuich.
De zure gezichten klaren op, zelfs Madam Tegenhonger lacht breed.
Het wordt toch nog een mooie Kerstmis.
donderdag 23 december 2010
Gespot : Twee broers
De keurige ronde man arriveert in het Centraal. Hij draagt een blauwe das, een voornaam kostuum en een dure pardessus. Hij is vergezeld door een jongere man, identiek gekleed, ook goed gevuld.
Plots stopt de man en monstert zijn kompaan, hij fatsoeneert diens das, sluit zijn vest en vraagt hem zelf zijn jas dicht te doen. De jongen luistert gewillig. Alles gebeurt traag en bedachtzaam.
De man klopt op zijn schouder, beiden lachen, daarop gaan ze samen op weg, zij aan zij. Af en toe wijst de oudste iets aan, de andere lacht en knikt.
De man is een heer, gemanierd en gereserveerd, bekleedt ongetwijfeld een belangrijke post in zijn bedrijf.
Hij heeft een dagje vrij genomen en draagt op een heel voorbeeldige en volwassen manier zorg voor zijn mongoloïde broer.
Hij wil er niet bovenstaan, zijn broer wil niet voor hem onderdoen, onderandere daardoor zijn ze identiek gekleed. Er ligt een dik sneeuwtapijt, het is spekglad, dus hebben ze maar de trein genomen, ook al is hij dit niet gewoon maar beloofd is beloofd.
De jongen kijkt uit naar het Reuzenrad en de smoutebollen, twee dingen die de oudste niet spontaan in zijn hart sluit maar hij geniet omdat zijn broer geniet.
Kerstmis in de stad : boven de flitsende neons, de fletse kerststal en de schreeuwerige Electrabellen
lopen er onmerkbaar mensen in deze stad die de essentie van het kerstgebeuren hebben begrepen.
Plots stopt de man en monstert zijn kompaan, hij fatsoeneert diens das, sluit zijn vest en vraagt hem zelf zijn jas dicht te doen. De jongen luistert gewillig. Alles gebeurt traag en bedachtzaam.
De man klopt op zijn schouder, beiden lachen, daarop gaan ze samen op weg, zij aan zij. Af en toe wijst de oudste iets aan, de andere lacht en knikt.
De man is een heer, gemanierd en gereserveerd, bekleedt ongetwijfeld een belangrijke post in zijn bedrijf.
Hij heeft een dagje vrij genomen en draagt op een heel voorbeeldige en volwassen manier zorg voor zijn mongoloïde broer.
Hij wil er niet bovenstaan, zijn broer wil niet voor hem onderdoen, onderandere daardoor zijn ze identiek gekleed. Er ligt een dik sneeuwtapijt, het is spekglad, dus hebben ze maar de trein genomen, ook al is hij dit niet gewoon maar beloofd is beloofd.
De jongen kijkt uit naar het Reuzenrad en de smoutebollen, twee dingen die de oudste niet spontaan in zijn hart sluit maar hij geniet omdat zijn broer geniet.
Kerstmis in de stad : boven de flitsende neons, de fletse kerststal en de schreeuwerige Electrabellen
lopen er onmerkbaar mensen in deze stad die de essentie van het kerstgebeuren hebben begrepen.
dinsdag 21 december 2010
De Tweede Sneeuw
In het maagdelijke Fontainasparkje is er welgeteld één passante.
Een zwarte vrouw trekt een diep spoor door de verse sneeuw.
Ze heeft gekleurde vlechtjes en behalve wandelen zingt ze luidkeels en uitgelaten.
Praise the Lord !
Is ze verrukt omwille van het witte manna dat zomaar uit de lucht komt gedwarreld ?
Het doet me denken aan het verhaal van de oude Westvlaming. Tijdens de Groote Oorlog staken Senegalese soldaten - indertijd overgevaren als kanonnenvoer - de sneeuw in een enveloppe en stuurden die op naar hun moeder, zo verbaasd waren ze.
Sneeuw in een briefomslag van de barre Ijzervlakte naar de dorre Sahel.
Deze vrouw is evenzeer verwonderd, het is een vreugdezang, iets dat ons vreemd is.
We vinden het allang vanzelfsprekend, de wonderen der natuur, straffer nog, we gaan er over sakkeren.
Te glad, gevaarlijk op de weg, files, vertraging op het spoor.
Afrikanen niet, die bezingen de natuurverschijnselen als geschenken van Moeder Aarde, al hebben ze ruimschoots hun deel in de ellende van de opwarming van de aarde.
Wat verder in de Kartuizersstraat is er toch nog vreugde omwille van het bevroren kristal.
Vier volwassen mannen, in keurig kostuum, gooien sneeuwballen naar mekaar, stellen zich verdekt op achter een wagen of in het portiek van een herenhuis. Ze roepen en schreeuwen als uitgelaten schooljongens.
Sneeuw maakt het kind in ons wakker, en bij uitstek mannen blijven Grote Kinderen.
Voor één keer mag het.
Een zwarte vrouw trekt een diep spoor door de verse sneeuw.
Ze heeft gekleurde vlechtjes en behalve wandelen zingt ze luidkeels en uitgelaten.
Praise the Lord !
Is ze verrukt omwille van het witte manna dat zomaar uit de lucht komt gedwarreld ?
Het doet me denken aan het verhaal van de oude Westvlaming. Tijdens de Groote Oorlog staken Senegalese soldaten - indertijd overgevaren als kanonnenvoer - de sneeuw in een enveloppe en stuurden die op naar hun moeder, zo verbaasd waren ze.
Sneeuw in een briefomslag van de barre Ijzervlakte naar de dorre Sahel.
Deze vrouw is evenzeer verwonderd, het is een vreugdezang, iets dat ons vreemd is.
We vinden het allang vanzelfsprekend, de wonderen der natuur, straffer nog, we gaan er over sakkeren.
Te glad, gevaarlijk op de weg, files, vertraging op het spoor.
Afrikanen niet, die bezingen de natuurverschijnselen als geschenken van Moeder Aarde, al hebben ze ruimschoots hun deel in de ellende van de opwarming van de aarde.
Wat verder in de Kartuizersstraat is er toch nog vreugde omwille van het bevroren kristal.
Vier volwassen mannen, in keurig kostuum, gooien sneeuwballen naar mekaar, stellen zich verdekt op achter een wagen of in het portiek van een herenhuis. Ze roepen en schreeuwen als uitgelaten schooljongens.
Sneeuw maakt het kind in ons wakker, en bij uitstek mannen blijven Grote Kinderen.
Voor één keer mag het.
Abonneren op:
Posts
(
Atom
)