woensdag 21 maart 2018

This is tuesday, this must be the Opera

Opvallend. Jongens bij jongens, meisjes lopen bij meisjes.
Er is vrijwel geen interactie.
Sommige eenzaten lopen naast de pratenden, valt minder op dan alleen achter een kliekje te strompelen.
Vooraan een vermoeide leraar, hoofd naar de grond, het is duidelijk : liever niet teveel heisa rond zijn hoofd.
Hij denkt aan thuis, de hypotheek, maar vooral de oudste die gebruikt, misschien dealt, er zijn geruchten. Zijn vrouw die helemaal op hem leunt, alles in zijn schoot legt.
En hij die het met niemand kan of wil delen. Kan de verhalen en het gejoel van de pubers achter hem missen als kiespijn.
En ook het kleingeestig commeren van de drie die achteraan lopen.
Die profiteren van een dagje weg, geen lesvoorbereidingen, niks nawerk.
Gewoon meelopen, de pupillen regelen het wel onder mekaar, zien dat ze in het gareel lopen, dat wel, zijn nogal uitgelaten, willen zich bewijzen. Verstraeten ! Op het voetpad man, ge zijt hier niet in Gijzegem hé !
Ze praten over hun kroost, de oudste zit in Gent, bijna afgestudeerd en denkt aan doctoreren.
De grijze met baard heeft al kleinkinderen, dat is een ander leven, kijkt al uit naar zijn retraite.
De derde is jonger, zit nog aan de kleintjes.
Ze vinden mekaar in het geneuzel over de nieuwe directeur, denkt dat hij het warm water heeft uitgevonden, wil alles naar zijn hand zetten alsof wij niet veel meer ondervinding hebben.
Bovendien is hij onhandig, haast stuntelig.

Aan de zij-ingang van de Munt worden ze verwelkomd, eerst een rondleiding.
Eén begeleider volstaat, de man vooraan neemt dit op zich, de anderen wisten dat.
Zijn z'er vanaf, hij wil toch niks met hen te maken hebben, altijd zo zwijgzaam, doet aan weinig mee, altijd in zichzelf.
Ze gaan lachend Café Muntpunt binnen. Héhé, morgen woensdag.

donderdag 22 februari 2018

En dan, op een dag was het zover

En dan, op een dag was het zover.
Deur wijdopen, even diep ademhalen, Ze was nu helemaal, helemaal op zichzelf.
De vrijheid van het zelfstandig beheer.

Begonnen in een huisartsengroep, draaide goed, geliefd bij de patiënten.
Zo ging ze stilaan dromen, nog onzeker, van een eigen praktijk.
Haar man steunde haar volop, het leek of ze beide in de praktijk stapten.
Maar hij werkte in openbare dienst, dat schikte, afgelijnde uren, handig voor de kinderen.

Nu kon ze zelf alles organiseren, plannen, uittekenen, inrichten.
Het patiëntenbestand groeide. Nieuwe wijk aan de rand van de stad.
Perfect tweetalige jonge arts.
Het liep gesmeerd, andere nieuwe patiënten, uitdagingen bij de vleet.
Ze glunderde, 's avonds nog gretig bijstuderen, tot laat nog. Het kon niet op.
Ongemerkt sijpelde het ongenoegen binnen, als vocht in de muur, een onbetekend vlekje, weldra een vuile vlek, dan de eerste druppel die valt.
Minder aandacht voor hem, wellicht ook voor de kinderen.
Hij was gesloten, altijd geweest, maar stilaan grimmig.

Een zekere afgunst, maar ook het gevoel.. zij groeit, ontplooit, krijgt alle aandacht, hij blijft terplaatse, en daarbovenop haast alleen voor de zorg.
Zij negeerde het niet, maar minimaliseerde.
Het zou veranderen als alles wat in de plooi viel, de kinderziektes van een beginnende arts.
Hij overdreef één en ander.
Maar het kantelde niet. Van kwaad naar erger. Stellingenoorlog, elk alsmaar dieper in de eigen loopgracht.
Dan verliet hij het slagveld.
Afgunst vergleed naar diepe jaloezie en haat.
Het was niemand en allemans fout. Van op afstand zag je het kristalhelder maar wie er middenin zat was verblind door ambitie of frustatie.

Zij begreep het niet, het ging al zo goed.
Plots waren er de kinderen, de verdeling, de verhuis, het lege nest.
Zij kon het plots niet meer, wat ze vaak zag bij patiënten herkende ze niet bij zichzelf.
Alles verdampte, relatie stuk, soms bleef de deur dicht of ze beantwoordde slordig de telefoons, mensen bleven weg, het ging snel rond. De vervreemding van de kinderen, het verdriet.

En dan, op een dag was het zo ver.
Ze was nu helemaal, helemaal op zichzelf.

dinsdag 30 januari 2018

One of the Girls

Zo loopt ze in de lange Archimedes. Af en toe gluurt ze naar binnen, bekijkt aan de gevel de menu's op een grijs krijtbord, dan gaat ze weer voort.
Ze is keurig en klassiek gekleed, zedige rok, lange laarzen, helemaal in het zwart.
Van ver en van dichtbij lijkt ze in de rouw.
Net gearriveerd, gisteren in de late namiddag, beetje daas nog.
Ze wilde zo graag daarvandaan en hiernaartoe.
Haar vader, hij vooral had gepusht, vol verwachting, zijn enig kind. Dààr gebeurt, daar is jouw toekomst. Ze waren al apetrots dat ze de unief had doorlopen. Nu de volgende grote stap.

First day in Brussels bij valavond, in de schaduw van het Kruis van Berlaymont dwaalt ze, de schuchtere stagiaire, haar Engels schools, onzeker.
Soms gaat ze ergens binnen, doet alsof ze belt, haar smart uitgezet praat en antwoordt ze, net of ze op iemand wacht, verlegen om alleen binnen te gaan. Onderwijl kijkt ze rond, ze mompelt iets onverstaanbaars in haar mobieltje en gaat terug naar buiten.

De eenzaamheid giert door de straten en door haar lijf.
Zo verloren voelt ze zich in deze triestige stad waar de verlatenheid in dikke druppels traag van de ruiten rolt. Overal lachende mensen op deze maandagavond, ze vieren de eerste dag van de werkweek.
Niemand had haar verwelkomd vanochtend, amper haar plek getoond, iemand zou langs komen.
Ze kijken nog altijd neer op de Oostblokkers, liever hebben de volbloed expats flamboyante Françaises of doortastende Zweedse blondines die meteen thuis zijn, feest op het Luxemburgplein.
Niemand had gevraagd vanwaar, waarvoor, hoelang.
Zo koud ervaart ze nu de lange straat, waar ook niemand op haar wacht, haar wenkt.
Dezelfde groezelige sfeer die ze ervoer in haar eng provinciaals stadje waar ze was gaan lopen, diep in de Karpaten.
Alles zou nu anders worden, hier in het centrum van de macht, hier zou haar nieuw leven beginnen.
Het fragiele meisje, tenslotte gaat ze de bescheiden pizzeria binnen, veel volk en rumoer en tafeltjes alleen.
Vooral niets laten merken, One of the Girls.
Zo onopvallend opvallend.



zaterdag 23 december 2017

Gerelateerde afbeelding

This must be Christmas

Op metrostel Weststation zit ik naast drie Bruxellois pur sang.
Het is laat namiddag, haast kerstavond.
Het Vloms en Frans huppelt vlot over en weer, zoals ketjes hinkelend op straat.
De grijze madam met de dikke wollen muts, zegt tegen haar geblondeerde vriendin : “Get ne skuune sjarp oên,” – “Tu trouves ?” antwoordt de blonde,
Je l’ai acheté chez Zeeman,” – “Oê maa moete nie vroege van woê da maain moesj komt, ik zaan et vergeite,” zegt de muts.

Die vanzelfsprekende mix – dat sappige Brussels, dat eigenlijk onvervalst Belgisch is, niemand vraagt of stoort zich aan het frans of nederlands, het vloeit moeiteloos in mekaar als mayonaise die pakt.
Ze beheersen beide talen maar kennen geen van beide.
Een heerlijke surrealistische taal die ik heel hard ga missen als ze binnenkort uitsterft.
In de week zie je ze ’s namiddags soms zitten in La Lunette of de Cirio, waar ze zich tegoed doen aan franchipane of Crème au beurre en zwarte koffie.
Soms zijn ze enkel maar één zegel gaan kopen of Le Soir Illustré aan de Brouckère.
Ze zijn keurig geschminkt, vantijd een beetje erover.

“Wat gotte muergen oêved dôen ?” vraagt de grijze.
“Moi, je fais fêter avec mon petit chien, Coco n’aime pas de visiteurs.”’
Dat is handig gepareerd door de blonde, ze zou uiteraard veel volk kunnen vragen maar Coco houdt er niet van.
De Wollen Muts heeft haar kleinzoon geïnviteerd om te komen eten, haar zoon – vader van de kleinzoon – komt niet.
Het botert niet tussen de kleinzoon en de nieuwe vriendin van papa. Mémé vangt één en ander op.
De derde, een zware vrouw met te zwart haar, gaat TV kijken.
“Il parait que c’est beau sur RTL demain soir.”

Als ze uitstappen aan Weststation geven ze mekaar liefderijk een arm : Sisters of Mercy.
Ze passeren nog een jonge stadswacht, waar ze even mee babbelen – dan gaan ze schuifelend voort.
Ik hoor de geblondeerde nog zeggen tegen de gardien :
“En goe flossen hé Chou ce soir, avec ta copinne.”
Op de achtergrond zingt Lennon :

“And so this is Christmas, I hope you have fun. The near and the dear one, the old and the young”.

dinsdag 19 december 2017

Kerstavond met een echte Zwarte

Ach Tildeken, vaneiges mag uw vriend mee komen, maar ziet dat ge hem goed brieft hé..

Twee dames, kokette vijftigers, schuiven aan in de lange rij van Maisons du Monde, handenvol nieuwjaarscadeautjes, slingers en kerstballen.

Ge moet toch zien als ge met uw volk bijeen komt dat de stukken wat bijeen passen hé -
vind het niet erg dat ze vantijd ne keer verandert maar bij haar is 't alle jaren nen andere.

-Ach mens, da's de jonkheid vandaag hé, ze moeten van alles eens proeven.. antwoordt haar collega.

Ge zegt het goed, z'is al toegekomen met ne Marokkaan en verleden jaar nen echte zwarte, ge kunt gaan peinzen wat dat voor mijn moeder is, 't mens spreekt dan nog geen woord Frans, zitten ze daar te giechelen, denkt ze vaneiges dat ze haar uitlachen.

Haar compagnon wil snel tussen komen, ze weet dat het nu of nooit is, maar de andere is haar veel te snel af. Ze is het type die het woord neemt en nooit meer afgeeft. Dat lees je op het gezicht van haar collega.

En pas op, die blijven dan ook direct slapen, zit ge daar 's anderendaags ook nog mee.
'k Heb het haar gezegd, vantjaar Tildeken, op uw kot doet ge wat ge wilt maar hier is het geen duivenkot. 
Uwe vriend mag komen maar 'ik heb liever dat ge 's avonds terug naar Gent gaat.
De 'mijne' die zwijgt in alle talen vaneiges. Pas op, later, ja dan zegt hij zijn gedacht, tegen míj welteverstaan. Groot bakkes als hij uit de regen staat, maar geen woord als d'er op aankomt.

Dan moet ze toch even op adem komen.

'Is't dit keer ne witte ?' vraagt de andere.

De vrouw kijkt wat verveeld opzij.. 'k weet nie, ze wist het zelf nog niet goed, peins ik.


maandag 11 december 2017

Het Dispuut

Verdomme neen, als ge aan éne geeft staan ze hier straks met zevenentwintig..
- Ge ziet toch wel dat die jongen honger heeft...
Ach mens, ge kent ze niet, het zijn allemaal bendes.
Hij schudt van neen. Zij wil het zijvenster openen.
No way, ge maakt de kwaal alleen maar erger. G'houdt het verdomme in stand.
-Ik heb tenminste een hart.
Ik zeg neen, hij geeft dat geld aan zijne maffia, zij kopen er ginder een dikke villa mee; Ge gelooft toch niet dat die echt kreupel is..
-Als gij honger had zoudt ge ook faken..
Ach mens, hij houdt er géne frank aan over.

Zo discussiëren ze nog korte tijd.
Heftig geknik, forse handgebaren, felle tegenspraak.
De jongen met het bordje J'AI FAIM wacht gelaten.
Dan springt het licht op groen.
Snel schuift ze nog een muntstuk door het spleetje van het raam.
De chauffeur wuift hevig met zijn arm. Zij glimlacht.
De man met het bordje leunt nog even voorover en salueert dankbaar de man.
Die rukt heftig aan zijn stuur, claxonneert ziedend.
De bedelaar begrijpt dit als een ultieme groet en wuift gul terug
Bijkans springt het licht op oranje, dan geeft hij laaiend gas.
Hij verdwijnt in een spoor van witte rook.