donderdag 14 juli 2011
dinsdag 12 juli 2011
Gespot
Aan de verplegersschool in de Broekstraat staat welgeteld één aspirant-verpleger te roken.
Sneeuwwit pak, blanke baskets, staat hij wat verlegen in een vies hoekje te zuigen aan zijn nicotinestokje.
Hij kijkt haast beschaamd naar de passanten.
Die heeft niet goed opgelet : dat wordt gegarandeerd tweede zit.
zondag 10 juli 2011
De Japanse Tsunami
Op de Grote Markt word ik al overrompeld door een enthousiaste groep fotograferende Japanners. Spleetoogjes in aanslag wordt iedere steen van Stadhuis, Broodhuis of de Hertogen van Brabant binnengezogen. Ja, zelfs het megapodium van de Vlaamse Feestdag blijkt een fotografisch unicum.
Op zondagochtend, amper 8u22 mag een mens een rustige zitplaats verwachten op de trein tussen Centraal en Antwerpen.
Twee volle wagons barstenvol met het Volk van de Rijzende Zon. Geen doorkomen aan, zware rugzakken, handbagage uitpuilend met de nieuwste modellen smartphones, Ipads en flinterdunne mobieltjes.
Eén meisje bekijkt een film op haar Ipad. Het is een, voor een zondagochtend, uitermate wrede en gewelddadige film. Het bloed spat haast op de azuurblauwe zetels.
Alle Japanners hebben korte beentjes, dat scheelt, zodat ik toch nog een plek kan veroveren temidden de Nippons.
Behalve het meisje met de karateprent slapen alle Aziaten : de rust van de Boeddha is over hen nedergedaald. Sommige met een Zorro-masker om het verblindende licht van de grijze zondagochtend te dempen. Anderen, meestal meisjes, liggen hoofd aan hoofd te knikkebollen.
Eén meisje slaapt met een kussen rond haar nek. Japanners zijn vooruitziend.
Af en toe staat er ééntje op zodat het toilet voortdurend bezet is. Een jongen heeft dik ros haar, maar dat is niet naturel, dat ligt er vingerdik op.
Een koppeltje vertrekt giechelend, hand in hand, naar het toilet. Nu kunnen we het helemaal schudden.
Ze laten hun bagage onbewaakt achter tussen hun slapende landgenoten, ondanks de waarschuwing in vier talen van de conducteur die ons attent maakte op pickpockets.
Een Engelse term welke hij herhaalt in het Nederlands, Frans en Duits maar in het Engels wordt dat thiefs on the train.
Een meisje met bloemetjes Zorro-masker slaapt heel diep, haar kleine mondje lichtjes geopend. Het lijkt me geen snurkerstype.
Stel je voor : een treinwagon tot de nok gevuld met dikke snurkende Japanners.
Ik zet het beeld snel van mij af omdat het Karatemeisje is overgeschakeld naar een animatiefim in Mangastijl : een al even agressieve movie met pikante personages.
Het meisje heeft een brede smaak maar het bloed is een constante.
Ik moet haar maar eens True Blood aanbevelen, dat is heel andere koek dat de uitgesmeerde ketchup op haar scherm.
Bij het verlaten van de wagon stoot ik nog op een kolossale Sumo worstelaar. Hij slaapt, de benen wijdopen en bezet daardoor met gemak twee plaatsen. Wie doet mij wat ?
Ik kijk wel uit, één tikje op zijn gigantische tenen, terwijl hij slaapt, er blijft alleen stof van mij over.
Ik ben de enige die uitstapt in Antwerpen, had ik wel gedacht, de Hollandse Trotter heeft hen wijsgemaakt dat Artis velenmale interessanter is dan de Zoo aan het Centraal.
Bij het buitenkomen in de Pelikaanstraat ontmoet ik alleen maar mannen met hoge hoeden, pijpekrullen en lange baarden. Ze fietsen, rug kaarsrecht, naar hun koosjere winkels.
Een groep kinderen staan luidkeels te wachten vóór het Lindner Hotel. Eén animator is van Japanse origine, het thema van het kamp : zwaaiende vlaggetjes met de beeltenis van de Rijzende Zon.
Dat kan geen toeval zijn.
De Japanse leider, wiens Totem ik al kan raden, leert hen al meteen een Japanse spreuk bij de ochtendgroet.
Nog twintig jaar en het Japans wordt, na het Arabisch, onze vijfde moedertaal.
Zij zijn wellicht talrijk, maar wij hebben één groot voordeel : wij zijn véél taalrijker.
Op zondagochtend, amper 8u22 mag een mens een rustige zitplaats verwachten op de trein tussen Centraal en Antwerpen.
Twee volle wagons barstenvol met het Volk van de Rijzende Zon. Geen doorkomen aan, zware rugzakken, handbagage uitpuilend met de nieuwste modellen smartphones, Ipads en flinterdunne mobieltjes.
Eén meisje bekijkt een film op haar Ipad. Het is een, voor een zondagochtend, uitermate wrede en gewelddadige film. Het bloed spat haast op de azuurblauwe zetels.
Alle Japanners hebben korte beentjes, dat scheelt, zodat ik toch nog een plek kan veroveren temidden de Nippons.
Behalve het meisje met de karateprent slapen alle Aziaten : de rust van de Boeddha is over hen nedergedaald. Sommige met een Zorro-masker om het verblindende licht van de grijze zondagochtend te dempen. Anderen, meestal meisjes, liggen hoofd aan hoofd te knikkebollen.
Eén meisje slaapt met een kussen rond haar nek. Japanners zijn vooruitziend.
Af en toe staat er ééntje op zodat het toilet voortdurend bezet is. Een jongen heeft dik ros haar, maar dat is niet naturel, dat ligt er vingerdik op.
Een koppeltje vertrekt giechelend, hand in hand, naar het toilet. Nu kunnen we het helemaal schudden.
Ze laten hun bagage onbewaakt achter tussen hun slapende landgenoten, ondanks de waarschuwing in vier talen van de conducteur die ons attent maakte op pickpockets.
Een Engelse term welke hij herhaalt in het Nederlands, Frans en Duits maar in het Engels wordt dat thiefs on the train.
Een meisje met bloemetjes Zorro-masker slaapt heel diep, haar kleine mondje lichtjes geopend. Het lijkt me geen snurkerstype.
Stel je voor : een treinwagon tot de nok gevuld met dikke snurkende Japanners.
Ik zet het beeld snel van mij af omdat het Karatemeisje is overgeschakeld naar een animatiefim in Mangastijl : een al even agressieve movie met pikante personages.
Het meisje heeft een brede smaak maar het bloed is een constante.
Ik moet haar maar eens True Blood aanbevelen, dat is heel andere koek dat de uitgesmeerde ketchup op haar scherm.
Bij het verlaten van de wagon stoot ik nog op een kolossale Sumo worstelaar. Hij slaapt, de benen wijdopen en bezet daardoor met gemak twee plaatsen. Wie doet mij wat ?
Ik kijk wel uit, één tikje op zijn gigantische tenen, terwijl hij slaapt, er blijft alleen stof van mij over.
Ik ben de enige die uitstapt in Antwerpen, had ik wel gedacht, de Hollandse Trotter heeft hen wijsgemaakt dat Artis velenmale interessanter is dan de Zoo aan het Centraal.
Bij het buitenkomen in de Pelikaanstraat ontmoet ik alleen maar mannen met hoge hoeden, pijpekrullen en lange baarden. Ze fietsen, rug kaarsrecht, naar hun koosjere winkels.
Een groep kinderen staan luidkeels te wachten vóór het Lindner Hotel. Eén animator is van Japanse origine, het thema van het kamp : zwaaiende vlaggetjes met de beeltenis van de Rijzende Zon.
Dat kan geen toeval zijn.
De Japanse leider, wiens Totem ik al kan raden, leert hen al meteen een Japanse spreuk bij de ochtendgroet.
Nog twintig jaar en het Japans wordt, na het Arabisch, onze vijfde moedertaal.
Zij zijn wellicht talrijk, maar wij hebben één groot voordeel : wij zijn véél taalrijker.
vrijdag 8 juli 2011
De Koerden
Aan de ingang van het UZ in Jette staan vier Koerden luid te palaberen. Zonder enige twijfel over hun nog altijd staatsloze status.
De dikste van het viertal, een kolos met een zware grijze knevel draagt een witte pyama met speelgoedfiguurtjes van het merk "Happy Together".
De Koerd rookt als een Turk.
Hij hangt aan een infuus en heeft zijn pyamavest helemaal losgeknoopt waardoor zijn enorme buik, met steekwonde, komt bloot te liggen.
Hij heeft ontzag bij het drietal, hun armen op de rug of druk sticulerend met de handen.
Als hij spreekt zwijgen ze en kijken naar de grond, ook als de Beer in pyama amper een paar woorden zegt.
Ze knikken.
Dan begint de jongste opnieuw te krijsen, de anderen treden hem bij of blaffen hem af.
Tot de Pyama terug orde op zaken stelt. Opnieuw geknik.
Onderwijl is hun kleingoed aan het prutsen op de scooters naast de rookzone.
Een bejaard Joods koppel slaat de Koerden gaande vanonder de luifel aan de entree.
Ze praten in een rare mix van Jiddisch en gebroken Engels.
De man draagt een hele zware peignoir en maakt zich vooral dik over de dunne schaamteloze pyama van de zware Koerd.
Langs de andere kant van de weg zitten de vrouwen in het gras.
Als de kinderen het wat te bont maken schreeuwt het mansvolk wat onverstaanbaars naar de vrouwen die hun onmiddelijk lik op stuk geven. Ze worden terstond afgeblaft. Opnieuw brengt de dikke Pyama orde.
Alle partijen zwijgen meteen.
Er wordt wat gegromd en de conversatie hervat. Het is onduidelijk of ze dialogeren of zomaar wat tegen mekaar staan te schreeuwen. Terwijl ze bulderen werken de vrouwen zich de pleuris om hun gebroed in het gareel te houden.
Eén van de moeders draagt een gifgroene T-shirt met de wijze spreuk "Feel the beat", net ter hoogte van haar felle borsten. Ik vermoed dat ze geen Engels verstaat.
Naast de entree zitten dan weer een paar autochtone jongelingen met een been in het gips of een infuus in hun getatoëerde arm. Ze zitten stom als vissen naast mekaar en kijken verbaasd naar het tafereel.
In een land dat al bijna vier jaar stilstaat valt er uiteindelijk nog weinig te discussiëren.
Een eigen Volk ? Die wordt Staat zonder dat ze een knip moeten uitvoeren, het valt hen in de schoot als een bedorven appel.
Dat heeft een naam : het heet verrottingspolitiek.
Daar kunnen de Koerden alleen maar van dromen.
De dikste van het viertal, een kolos met een zware grijze knevel draagt een witte pyama met speelgoedfiguurtjes van het merk "Happy Together".
De Koerd rookt als een Turk.
Hij hangt aan een infuus en heeft zijn pyamavest helemaal losgeknoopt waardoor zijn enorme buik, met steekwonde, komt bloot te liggen.
Hij heeft ontzag bij het drietal, hun armen op de rug of druk sticulerend met de handen.
Als hij spreekt zwijgen ze en kijken naar de grond, ook als de Beer in pyama amper een paar woorden zegt.
Ze knikken.
Dan begint de jongste opnieuw te krijsen, de anderen treden hem bij of blaffen hem af.
Tot de Pyama terug orde op zaken stelt. Opnieuw geknik.
Onderwijl is hun kleingoed aan het prutsen op de scooters naast de rookzone.
Een bejaard Joods koppel slaat de Koerden gaande vanonder de luifel aan de entree.
Ze praten in een rare mix van Jiddisch en gebroken Engels.
De man draagt een hele zware peignoir en maakt zich vooral dik over de dunne schaamteloze pyama van de zware Koerd.
Langs de andere kant van de weg zitten de vrouwen in het gras.
Als de kinderen het wat te bont maken schreeuwt het mansvolk wat onverstaanbaars naar de vrouwen die hun onmiddelijk lik op stuk geven. Ze worden terstond afgeblaft. Opnieuw brengt de dikke Pyama orde.
Alle partijen zwijgen meteen.
Er wordt wat gegromd en de conversatie hervat. Het is onduidelijk of ze dialogeren of zomaar wat tegen mekaar staan te schreeuwen. Terwijl ze bulderen werken de vrouwen zich de pleuris om hun gebroed in het gareel te houden.
Eén van de moeders draagt een gifgroene T-shirt met de wijze spreuk "Feel the beat", net ter hoogte van haar felle borsten. Ik vermoed dat ze geen Engels verstaat.
Naast de entree zitten dan weer een paar autochtone jongelingen met een been in het gips of een infuus in hun getatoëerde arm. Ze zitten stom als vissen naast mekaar en kijken verbaasd naar het tafereel.
In een land dat al bijna vier jaar stilstaat valt er uiteindelijk nog weinig te discussiëren.
Een eigen Volk ? Die wordt Staat zonder dat ze een knip moeten uitvoeren, het valt hen in de schoot als een bedorven appel.
Dat heeft een naam : het heet verrottingspolitiek.
Daar kunnen de Koerden alleen maar van dromen.
woensdag 6 juli 2011
Stadsbrief : Hoe makkelijk zelfmoord plegen ?
Beste Bruksel,
Wie graag zelfmoord wil plegen in zijn geliefde stad moet zich onverwijld per fiets naar de Kruidtuin begeven en onderaan de helling trachten het Rogier te bereiken en vervolgens over te steken naar de Adolphe Max.
Gegarandeerd ketchup.
Zonder vleugels van een brug springen in Luxemburgstad garandeert minder kleerscheuren dan van de Botanique naar Rogier te fietsen.
Vooral tijdens de spits is het gekkenwerk.
Waar moet je immers als fietser oversteken ?
Wellicht naar rechts, waar de automobielen aan een waanzinnige snelheid voorbijrazen, waar het nooit groen wordt of de lichten al lichtjaren defect zijn.
En dan, de Plantenstraat oversteken lukt nog maar dan sta je terug bij af, zit je vast tussen de afslag naar de Brabantstraat of rechtdoor naar Koekelberg.
Allebei onmogelijk te overbruggen of je moet het brevet van kamikaze met grote onderscheiding hebben behaald.
Verzin daar alstubliéft eens een fietsvriendelijke oversteek, moet niet zo moeilijk zijn, of minstens een veilige passage waar je niet terstond van je sokken wordt gereden.
Zoals steeds : grààg bereid te helpen, maar owee, er kan zelfs geen dankwoordje af bij al wat ik zo vriendelijk suggereer.
Je, Pacha Kroet.
maandag 4 juli 2011
In zak en as
De Koreaanse dakloze draaft over en weer op het trottoir als een zenuwachtig, rusteloos paard.
Als hij al stil zit is het om zijn teennagels te fatsoeneren, en dan nog wiebelt zijn vrije been op en neer.
Soms loopt hij gewoon te ijsberen, hoofd naar beneden, Kartuizers af en aan. Even pleisteren bij de "Chez Nous", bijwijlen stuikt hij binnen om een paar seconden later weer de straat op te gaan.
Hij zeult een immense zak op zijn rug welke hij vrijwel nooit opent.
Waarmee zeult een dakloze in zijn rugzak ?
Vermits hij geen huis heeft, moet hij zijn hele hebben en houden meesleuren. Een wandelende slak.
Warme kleren, dat al zeker, vooral de nachten kunnen guur en winderig zijn.
En propere kleren, een mens moet zich af en toe toch kunnen verversen.
Zijn de onderbroeken gestreken ? Het hemd keurig in de vouw ?
Daarmee alleen vult ge niet de mega-zak van de arme Koreaan.
Heeft hij nog souvenirs van thuis ? Vazen in keramiek ? Een beeld van de Boeddha ?
Deodorant al zeker : geen overbodige luxe.
Winterbottines, absoluut noodzakelijk voor mensen die op straat leven : een flanellen pyama.
Een warme regenjas, zomersloefjes, bermuda-short, een zwempak, verplicht als ze langs de kanten van Hofstade willen gaan zwemmen.
Een zonne- en sneeuwbril, rolschaatsen, skateboard.
Een opplooibare fiets zit er zeker in, makkelijk om van standplaats te wisselen.
Slaapkamer, living, keuken of badkamer moet er niet in. Dat scheelt.
Een spaarvarkentje, voor droge bedelmomenten, liefst niet teveel etaleren : dat steekt.
Een mens sleurt wat mee als de straat je huis is.
De Koreaan heeft een wazige blik.
Soms ratelt hij wat rauwe klanken.
De rugzak is zijn bult, hij weet niet waarom of wat, het is een kwalijke, pijnlijke vergroeiing.
Het verbergt veel meer dan wat afgedragen spullen.
Als hij al stil zit is het om zijn teennagels te fatsoeneren, en dan nog wiebelt zijn vrije been op en neer.
Soms loopt hij gewoon te ijsberen, hoofd naar beneden, Kartuizers af en aan. Even pleisteren bij de "Chez Nous", bijwijlen stuikt hij binnen om een paar seconden later weer de straat op te gaan.
Hij zeult een immense zak op zijn rug welke hij vrijwel nooit opent.
Waarmee zeult een dakloze in zijn rugzak ?
Vermits hij geen huis heeft, moet hij zijn hele hebben en houden meesleuren. Een wandelende slak.
Warme kleren, dat al zeker, vooral de nachten kunnen guur en winderig zijn.
En propere kleren, een mens moet zich af en toe toch kunnen verversen.
Zijn de onderbroeken gestreken ? Het hemd keurig in de vouw ?
Daarmee alleen vult ge niet de mega-zak van de arme Koreaan.
Heeft hij nog souvenirs van thuis ? Vazen in keramiek ? Een beeld van de Boeddha ?
Deodorant al zeker : geen overbodige luxe.
Winterbottines, absoluut noodzakelijk voor mensen die op straat leven : een flanellen pyama.
Een warme regenjas, zomersloefjes, bermuda-short, een zwempak, verplicht als ze langs de kanten van Hofstade willen gaan zwemmen.
Een zonne- en sneeuwbril, rolschaatsen, skateboard.
Een opplooibare fiets zit er zeker in, makkelijk om van standplaats te wisselen.
Slaapkamer, living, keuken of badkamer moet er niet in. Dat scheelt.
Een spaarvarkentje, voor droge bedelmomenten, liefst niet teveel etaleren : dat steekt.
Een mens sleurt wat mee als de straat je huis is.
De Koreaan heeft een wazige blik.
Soms ratelt hij wat rauwe klanken.
De rugzak is zijn bult, hij weet niet waarom of wat, het is een kwalijke, pijnlijke vergroeiing.
Het verbergt veel meer dan wat afgedragen spullen.
zaterdag 2 juli 2011
Gespot
Twee koppels begroeten mekaar hartelijk op het rookrijke terras van Brasserie Le Louvre aan de Parvis.
Uitgebreid gekus en gelach.
Die hebben mekaar al een tijd niet meer gezien.
"ça va ?" - "ça va."
"Et toi ? Tout va bien ?" vraagt de man aan de man.
"Oui, oui, tout à fait. Et toi, ça va ?"
"ça va."
Ze bekijken mekaar korte tijd, tot de vrouw de stilte breekt.
"Il fait beau aujourd'hui."
"Oui, on dirait l'été."
Opnieuw stilte. Die blijft duren. Een ongemakkelijke grimlach.
Beide koppels wachten op een verlossend woord.
"Allez, on s'en va," zegt de grijze man tenslotte.
Opnieuw wordt er gekust, minder gul.
"Allez, à bientôt," - "Salu".
Alles en niets is gezegd.
Ik moet heel even denken aan de verbitterde man aan Metro Hallepoort :
"..woorden betekenen niets, enkel aanwezigheid."
Abonneren op:
Posts
(
Atom
)