zondag 13 november 2011

Gespot : enfin l'automne

De geur van Godiva, het leer van l'Italienne, de bonbons van Neuhaus.
Eén lichtstraal in de hall van Théatre Vaudeville.
Heel hoog een straaljager, uitstervend boven het glas. Een jongetje plakt verrukt tegen de vitrine van Tropismes. Er hangt nougat in de lucht, de Joodse klarinettist klaagt weemoed.
Vallend blauw bij Delvaux, een meisje schuurt zich tegen haar donkere vriend, van kou en liefde.
Er is veel resttijd.
Zo valt de avond in Brussel in de herfst van 2011.

vrijdag 11 november 2011

Côté gauche

"C'est un boboberio."
Het beest houdt het midden tussen een gevlekte versie van Bobby en één per ongeluk in de vaatwas belandde Pekkie. Kortom, een mormel.
"Il s'appelle comment ?"
"Richard," antwoordt hij, en dat lijkt mij een heel geschikte naam.
Twee zware madammen, mantels wijdopen, bezetten de twee ronde tafeltjes bij "Paul" aan de Brouckère.
Ze hebben zich net tegoed gedaan aan het heerlijke gebak van de Franse patissier.
Rechttegenover hen zit een fragiele veertiger met geruite vest en één te opzichtige montuur die noch bij hem, noch bij de brilglazen past.
"C'est un boboberio," herhaalt hij.
"Vous pouvez uniquement l'acheter dans le magasin, derrière la basilique."
"Où ça," vraagt de zwaarste, met eveneens de dikste brilglazen, maar aangepast montuur.
"Eh bien, derrière la basilique, côté gauche."
"Je le vois pas," zegt de andere.
"Eh bien, allez voir derrière la Basilique, vous ne pouvez pas vous tromper."
"Derrière la basilique ? Mais venant d'où ?
"Beh, si vous quittez la ville quoi, derrière, à gauche."

"C'était quoi de nouveau ?" vraagt de oudste.
"Un Boboberio, c'est un race unique, qu'on sait uniquement acheter derrière la basilique, côte gauche."
Daarop vertrekt de man, ze nemen hartelijk afscheid, zielsverwanten.

"Un boboberio ?" zegt de éne vrouw.
"Jamais entendu," de andere zwijgt even.
"Il paraît qu'on peut l'acheter derrière la Basilique." "Côté gauche," vult de andere aan.

En zo verliep de middag alweer gemoedelijk, chez 'Paul', assis derrière une table, côté gauche.

woensdag 9 november 2011

Gespot : De Woeste Houthakker

Een man met de tronie van Burt Reynolds en het postuur van een woeste houthakker zit op de bank van het ronde plein in het Fontainaspark.
Plots staat hij op, leunt met beide armen op de rugleuning en lost een rochel waarbij de Niagarafalls in het niet verzinken.
Hij veegt zijn mond schoon aan het geruite hemd en gaat opnieuw zitten. Bij het passeren wenkt hij mij :
"C'est la morale qui compte, ça c'est le plus important."
"Vous avez tout à fait raison," stamel ik zomaar.
"Je te souhaite une très belle journée.." - "Ah, beh, pareillement," antwoord ik verlegen.
Hij lacht breed en genoeglijk.
Naast hem staat een versleten buggy met heel zijn hebben en houden. De vrieskou komt eraan.
Verwende burgermannetjes zoals ik zouden al na één nacht in de Brusselse straten bezwijken, maar deze man overleeft zelfs Siberische nachten.
Geld vraagt hij niet : c'est la morale qui compte.

maandag 7 november 2011

Fifty ways to leave your lover

Ze zit opzij en kijkt wat verlegen voor zich uit, in de donkere tunnels tussen Beurs en Brussel-Zuid.
Hier en daar een flard klaarte, Anneessens, tussen Lemonnier en Zuid hoog wat kale bomen, dan weer donker en licht.

Twee jongens en twee meisjes, slechts een weinig van mekaar verwijderd. Het éne koppeltje dooft uit, het andere ontvlamt.
De jongen, een gebrilde Maroxellois ligt met zijn hoofd tegen de rugleuning van het meisje. Zij is ook van Noordafrikaanse origine, fleurig, haar opgestoken, lichtjes gemaquilleerd. Heel af en toe zegt hij nog iets, ze luistert maar weet niet wat antwoorden, ze kijkt weg, in de donkerte.
Het is onduidelijk wie of wat de aanleiding is, misschien passen ze gewoon niet bij mekaar. Beiden zijn triest, er is niemand anders in het geding, het is tussen hen twee. Wellicht staat de familie ertussen, dat kan.
Te vroeg, te jong, geen geschikte partij. Beide zien er mondig uit, niet traditioneel, maar het ouderlijk gezag blijft spelen. Loyauteit.

Helemaal anders bij het tweetal schuin tegenover hen.
Glinsterende ogen, verlangend, het druipt eraf.
Soms praten ze hardop, alsof ze luidkeels hun liefde willen delen met de ganse tram. Af en toe fluistert hij entwat in haar oor, ze lacht, hij knipoogt, ze lacht opnieuw.
Beide donker, fris gekleed, niet hot of hip, gewoon gewoon.
Alles moet nog beginnen, er is nu enkel de blinde dwaze verliefdheid, dan ligt de wereld aan je voeten.
Bij de andere ligt het aan scherven.

Mooi, compact weergegeven op twee vierkante meters.
De va et vient van het menselijk verkeer.
De ebbe en vloed, het vrijlaten en verbinden. Het vinden, het loslaten.
Het vieren en rouwen.

zaterdag 5 november 2011

Gespot : They shoot horses, don't they ?

Het schemert in de Maagdenstraat. Er hangt een aangebrande geur van gepofte kastanjes, voor mij ligt een lijk op straat : een duif die te lang wachtte.
In de onooglijke Impasse des Lunettes wurmt zich een giganstische vrachtwagen, ik lees Horses op de zijkant.
Het gevaarte rijdt tot helemaal achteraan zodat zelfs de laadbak niet open kan.
Hoor ik daar nerveus gehinnik ?
Welk een duistere praktijken mogen het daglicht niet zien in de Brillengang ?
Huist er een spookmanège in de opengebroken werkmanshuisjes ?

Doet me denken aan de groezelige beelden van Joodse deportaties in de Marolse stegen.
De Brusselse impasses blijven tot mijn verbeelding spreken.
Misschien staan er morgen jonge merries te grazen op het braak terrein naast de Brillengang ?

donderdag 3 november 2011

Poepa en de Zounen

"Ze poempen zout woêter ôit de zeeie en geete dat in de plage privé. 't Es presees echt."
Naast mij in het gerenommeerde café op de Varkensmarkt zitten maman en papa met hun twee zonen.
Beiden jongemannen hebben blijkbaar een vaste vriend, maar die zijn er even niet, want pa en ma trakteren alleen hun eigen bloed, getuige de volle zakken van de Inno naast hen.
Ze praten allen vloeiend Brussels. Dat is niet ongewoon in dit café, maar het verbaast mij zeer dat ook de beide zonen het moeiteloos beheersen. Dat is hoopgevend voor het sappigste dialect uit de beschaafde wereld.
"Jean, gaai parfumeert aa vuil te vet."
Maman vindt dat hij overdrijft.
"Laisse-le," zegt de vader, "ei es gruut genoeg vè zaain plan te trekke."
Het gesprek kantelt naar de huurders van beide zonen, die beiden een pand verhuren. Ze stoefen en ze klagen.
"Me maaine Belsj emmek nuut ambras, 't es ne joenkman, goei pree, dokt altaaid af op taaid."
"Ik em gien Belsjen ni mier," zegt Jean met het overvloedige reukwater - "altaaid misère me die étrangers, vreuger de Marocains, naa dei Uust-Euroepejoenen."
"Subiet bringe ze giel de famille mei me eule paillassen. Vui dat ge 't wèt, zit giel aa kot vol."
Jean laat het over zich gaan maar lijkt toch wat ongerust.

Maman en Papa hebben een bel-étage geërfd.
"'t Es bekanst geried, enfin 't es grât geried, allien nog de vuidui, ça fait deux mois qu'on attend."
"Entrepreneurs, toujours le même," zegt de properste huisbaas.
Het gesprek valt heel even stil.
Jean is net terug uit de Dominicaanse.
"Get doe aave plage privé, ze poempen zout woêter oît de zeeie en geete dan in aave plage. En ge zet oep aa aaige."
Dat verbaast maman en papa.
"Niet teveul clochards ?" - "Ahnon maman, puisque c'est privé."
Maman gaat regelmatig naar de echte zoute zee.
"Allien oem uile lingerie te kuupe, parfois deux fois par mois," grapt papa.
"Allez maman," zegt Jean, "dan bezeet toch ne kier de zeeie."
"C'est trop loin, après je prends un p'tit café à mon aise."
"Des femmes.." papa schudt zijn hoofd.
"Nog een chance dat gaaile nie getraad zaat me een madam."
Beide zonen lachen smakelijk.
Alleen maman kijkt grimmig. Ze is er nog niet helemaal klaar mee.
"Allez chou, c'st q'même vrai.. een vraa es goe gerief, mo ge meugt ze nie in ôis emme."
"Wa zodde zonder maa doon ?" antwoordt ze kwaad en bekijkt ze alledrie.
Papa doet er helemaal het zwijgen toe, beide zonen kijken opzij.
Er is op een zere teen getrapt.
Poepa rekent af.
"Allez on s'en va."
De drie mannen volgen gedwee, zoals schapen hn voorman, kopje naar beneden, recht naar de stal.