Ze plukt de kleine Louis uit de rij, duwt hem opzij, en passant neemt ze de rooie Marco mee, zet ze beide vier rijen vooruit, op die plek neemt ze Ellen apart, twee wachtenden verder pikt ze er Jeanne uit, die gaat helemaal achteraan.
Onderweg heeft ze er Anne nog uitgelicht, die wordt naast Dirk geposteerd en Kobe die amok maakte naast Dirk komt in de plaats van Anne.
Als een snelle grijptang gaan haar beide handen over en weer, haast intuïtief bedwingt ze de chaos.
Alles keurig gerangschikt. Ieder stukje mooi op zijn plaats in de rommelige blokkendoos.
Ze duwt haar bril wat hoger op haar neusje en trekt met beide handen haar jasje naar beneden.
Even staat ze stil om de kudde te monsteren.
Aiii ! Allee, dadoe keiveel pijn..!
Een tenger jongetje met een gluiperig gezicht kermt hartverscheurend achter haar rug.
Arsène ! Tegen de muur ! schreeuwt de Juf van 6A.
Net toen ze de wanorde in de groep had bekoeld is Arsène weer de onverlaat.
Ze heeft het niet voor de lange slungel met de rosse sproeten, hij komt er ver boven uit, haast zo groot als zij, dat steekt.
Hij is begonnen Juf.... -
Tegen de muur ! - Arsène stapt wat slenterig naar de lange muur aan het Museum voor Schone Kunsten en gaat dan hangen.
Récht ! On-middellijk !
Hij gaat meteen rechtop staan, is het straffen gewoon, heeft zijn lijf en leden niet mee.
Zij heeft hem nooit gemogen : te lomp, onhandig, sloom. Te traag ook in het leren.
Hij geeft zich gewonnen, weet allang dat hij de pieneut is.
Toch buigt hij het hoofd niet, contrarie, hoofd ietwat schuin kijkt hij, haast treiterig, de Juf aan, hij is groter en struiser.
Zijn tijd komt nog wel, hij gaat nog flink groeien, zij zal alleen maar krimpen, het nerveuze krampachtige kippetje. Hij, hij staat daar ver boven, Arsène van 6A.
zondag 1 juni 2014
dinsdag 27 mei 2014
Martelarenplein
Boven de grote blauwgrijze deur van het kabinet Peeters hangt de Vlaamse en Belgische vlag halfstok. Het is
een speling van de wind. Enkel de Europese wappert onkreukbaar, haast
triomfantelijk.
Dan zwijgt de wind even, alle drie hangen ze nu gebogen,
lijdzaam, intriest als het treurende ouderpaar van Kollwitz.
Opvallend veel jonge cabinetards keren terug van hun
lunchpauze, sommige keurig opgedirkt, anderen flamboyant, jeans, geruit blauw
hemd zonder das. Ze letten al lang niet meer op de vlaggen. De meeste lachen,
misschien weten ze meer. Niemand haast zich bij de lopende zaken.
Een Hollandse klas zit bovenaan de trappen vóór het
standbeeld van de Belgische Martelaren. Eén meisje wil indruk maken op de
jongens, ze heeft de neiging snel corpulent te gaan worden en moet veel meer
moeite doen dan de blonde stoot wat verder, zij zit nonchalant naast een resem
aanbidders die zich allen vergeefs uitsloven. Zij reageert enkel op de veel te
jonge leraar in zijn roodgeruit hemd. Hij heeft wat van de jonge Rutger Hauer, maar met bruine lokken,
het maakt hem niet minder onweerstaanbaar voor de jonge meiden uit zijn klas.
De blonde daagt hem uit als hij wat mompelt, hij staat recht
achter de lange rij op de trappen. Zij lacht, hij reageert grinnikend, dan zij
opnieuw. Charmeur, maar met mate, hij moet de kerk in het midden houden, net
genoeg belangstelling tonen, gul maar ingehouden en vooral gespreid. Hij stuurt
zijn pupillen de stad in, in groepjes van drie, vier, het vertrekpunt is het
monument van de Belgische onafhankelijkheid. Ook hen ontgaat het vlaggenspel,
de Belgische vlag is nu haast helemaal opgerold.
Eén man, lichtjes verdwaald met een holle hoed neemt plaats
op de vrijgekomen trappen terwijl de klas op zoek gaat naar restanten van de
Belgische geschiedenis. Dan landt de duif, grijs en verkleumd, vóór de voeten
van de holle hoed. Ze pikt, bij gebrek aan beters, in een nat peukje, schudt
schichtig haar kopje.
Nog even kijkt ze naar de man, dan spreidt ze haar vleugels,
hier valt niks meer te rapen.
vrijdag 23 mei 2014
Het uur
Een uur is
vijftig minuten. Min vijf minuten heen, vijf minuten terug. Min tien minuten
uit- en aankleden. Resten nog krap dertig minuten. Ploegen snel verdeeld. Dan
gaat de grijze sportleraar opzij staan en neemt het dagblad. De jongens amuseren
zich, voetbal is voetbal. Na een tijdje wordt het hem te lawaaierig, hij keert
zich met de rug naar de leerlingen, lijkt verdiept in een mogelijke transfer
van Hazard - onwaarschijnlijk. Hij
kijkt nog wat dieper in de krant alsof dat hem meer klaarheid verschaft. Het
lawaai stoort allengs meer, de akoestiek aan de Papenvest, het is nooit wat
geweest. Hij gaat buiten staan, krant wijdopen in het milde lentezonnetje. Op
de achtergrond de uitgelaten maar gedempte kreten van de kudde zonder voorman.
Iemand passeert, hij zegt kort gedag, weldra de Pyreneeën in de Giro. Blijkbaar
bijziend, hij buigt opnieuw heel diep om het vervolg te lezen. Hij kijkt
nerveus op zijn polshorloge, verdraaid, het is al elf uur. Vouwt de krant
dicht. Binnen klapt hij éénmaal fel in de handen, er valt geen gebenedijd
woord. Dan vertrekt hij, hoofd gebogen, een paar meter achter hem keuvelen vrolijk
de jongens. Ach, tijd gaat veel te snel.
zondag 18 mei 2014
De Jongen en de Vrouw
De jongen loopt zes meter achter de vrouw. In zijn beleving is zij mijlenver verwijderd, zij vindt dat hij plakt.
Hij is zwaar en slofferig, zij koket en lijkt zich te haasten. Hij bijna dertig, zij vijfenzestig.
Een onbewaakte plek tussen Leuvensesteenweg en Liedekerkestraat. Wat langgerekte slierten sieren een lichtblauwe hemel.
Hij wil nog graag iets drinken, een vriendelijk terras op deze uitbundige lentedag. Zij wil er snel vandoor.
Hij roept iets, te luid maar vriendelijk, zij antwoordt zonder zich te keren, kort en beslist.
Hij kijkt naar de grond, draagt twee zware winkeltassen van Dod, zij een profijtige handtas.
Hij wil haar inhalen, zij vindt hem inhalig. Hij wil graag gezien worden, zij wil zich verstoppen.
Hij wil zo graag fier zijn op, zij schaamt zich over.
Hij heeft tijd zat, zij kijkt op haar uurwerk.
Hij bedelt om, zij negeert.
Hij is rap content, zij had het anders gedroomd.
Hij het syndroom van, zij een complex over.
Affectie en aversie.
De jongen en de vrouw, zo contrarie.
Zo verstrengeld.
Hij is zwaar en slofferig, zij koket en lijkt zich te haasten. Hij bijna dertig, zij vijfenzestig.
Een onbewaakte plek tussen Leuvensesteenweg en Liedekerkestraat. Wat langgerekte slierten sieren een lichtblauwe hemel.
Hij wil nog graag iets drinken, een vriendelijk terras op deze uitbundige lentedag. Zij wil er snel vandoor.
Hij roept iets, te luid maar vriendelijk, zij antwoordt zonder zich te keren, kort en beslist.
Hij kijkt naar de grond, draagt twee zware winkeltassen van Dod, zij een profijtige handtas.
Hij wil haar inhalen, zij vindt hem inhalig. Hij wil graag gezien worden, zij wil zich verstoppen.
Hij wil zo graag fier zijn op, zij schaamt zich over.
Hij heeft tijd zat, zij kijkt op haar uurwerk.
Hij bedelt om, zij negeert.
Hij is rap content, zij had het anders gedroomd.
Hij het syndroom van, zij een complex over.
Affectie en aversie.
De jongen en de vrouw, zo contrarie.
Zo verstrengeld.
vrijdag 9 mei 2014
Vroom
Het meisje leest een dun boekje.
Ze houdt het kleinood ver voor zich, een vroom gebaar, ze lijkt te brevieren.
Ze heeft een witte roos in haar halflange bruine page alsof ze de lente volop wil celebreren.
Klein en fragiel in haar zwarte jurkje leest ze met mondjesmaat, haar dunne lippen bewegen amper.
Ze laat heel veel tijd tussen de passages.
In het gewriemel van Brussel Centraal is ze een geruisloos leesteken, een punt komma, ze laat nog veel open.
Een blonde vrouw met een bruine terriër komt naast haar zitten.
De nerveuze hond begint meteen verwoed te snuffelen aan de smalle schoentjes van het meisje.
Alhoewel verdiept schrikt ze amper.
Ze sluit het boek en streelt de hond die vrijwel meteen stilvalt, onderworpen, oren plat achterover gaat hij liggen en bedaart terstond.
Ze lacht even naar hem en opent opnieuw, heel profijtig het dunne boekje.
De blondine, ook al nerveus, die met trekken en duwen het beest nooit kon temperen kijkt verbaasd naar haar hond en met loense oogopslag naar het vrome meisje.
Ze leest nu nog trager, tot ze uiteindelijk voor zich uitkijkt, dagdromend.
De hond slaapt, de blondine leunt ontspannen achterover.
Het perron, alhoewel verpletterend aanwezig, is onbetekenend.
Er hangt een porseleinen stilte.
De haast ingehaald.
Ze houdt het kleinood ver voor zich, een vroom gebaar, ze lijkt te brevieren.
Ze heeft een witte roos in haar halflange bruine page alsof ze de lente volop wil celebreren.
Klein en fragiel in haar zwarte jurkje leest ze met mondjesmaat, haar dunne lippen bewegen amper.
Ze laat heel veel tijd tussen de passages.
In het gewriemel van Brussel Centraal is ze een geruisloos leesteken, een punt komma, ze laat nog veel open.
Een blonde vrouw met een bruine terriër komt naast haar zitten.
De nerveuze hond begint meteen verwoed te snuffelen aan de smalle schoentjes van het meisje.
Alhoewel verdiept schrikt ze amper.
Ze sluit het boek en streelt de hond die vrijwel meteen stilvalt, onderworpen, oren plat achterover gaat hij liggen en bedaart terstond.
Ze lacht even naar hem en opent opnieuw, heel profijtig het dunne boekje.
De blondine, ook al nerveus, die met trekken en duwen het beest nooit kon temperen kijkt verbaasd naar haar hond en met loense oogopslag naar het vrome meisje.
Ze leest nu nog trager, tot ze uiteindelijk voor zich uitkijkt, dagdromend.
De hond slaapt, de blondine leunt ontspannen achterover.
Het perron, alhoewel verpletterend aanwezig, is onbetekenend.
Er hangt een porseleinen stilte.
De haast ingehaald.
Abonneren op:
Posts
(
Atom
)